ALRUIN.
Een overblijvende plant, die familie is van de aardappel, met grote donkergroene bladeren van ongeveer 30 cm lang en 10 cm breed. De bladeren lijken rechtstreeks vanuit de wortelstok te groeien, waaieren uit in een rozet en liggen dicht tegen de grond. Vanuit het midden van deze rozet groeien de bloemstengels, waarvan elk slechts één witte, blauwachtige of lila bloem draagt. De vrucht, die ongeveer zo groot is als een pruim en in kleur varieert van oranje tot rood, is rijp tegen de tijd van de tarweoogst in Palestina (Gen. 30:14). Ze is wel beschreven als zo zoet en fris geurend als een appel. (Zie Hooglied 7:13.) De dikke, veelvuldig gevorkte wortelstok van de alruin lijkt enigszins op de benen van een mens. Dit heeft aanleiding gegeven tot talloze bijgelovige ideeën en het toeschrijven van magische krachten aan de plant.
In oude tijden werd de vrucht van de alruin in de geneeskunde toegepast als narcoticum en middel tegen kramp. Ook werd ze, en dit is in sommige delen van het Oosten nog steeds zo, beschouwd als een middel om liefde op te wekken en zou ze in staat zijn de vruchtbaarheid van de mens te verhogen of zwangerschap te bevorderen. Het Genesisverslag vertelt dat Rachel haar zuster Lea in ruil voor enkele alruinen toestemming gaf seksuele betrekkingen met haar man Jakob te hebben (Gen. 30:14, 15). Hoewel de bijbel Rachels beweegreden niet onthult, kan het zijn dat zij meende dat deze vruchten haar zouden helpen zwanger te worden, waardoor zij niet langer de schande van haar onvruchtbaarheid zou dragen. Zij werd echter pas enkele jaren na deze gebeurtenis werkelijk zwanger. — Gen. 30:22-24.