Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • ad blz. 964-965
  • Leeuw

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Leeuw
  • Hulp tot begrip van de bijbel
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • DECORATIEF EN FIGUURLIJK GEBRUIK
  • Leeuw
    Inzicht in de Schrift, Deel 2
  • Leeuwen — Afrika’s majestueuze katten
    Ontwaakt! 1999
  • Wist u dit?
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2015
  • De brullende leeuw
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1981
Meer weergeven
Hulp tot begrip van de bijbel
ad blz. 964-965

LEEUW.

Een, groot, geelbruin zoogdier van de familie der katachtigen. Het dier heeft een lange staart met aan het uiteinde een kwast. De kenmerkende ruige manen van het mannetje beginnen te groeien als het dier ongeveer drie jaar oud is. Hoewel de leeuw in Palestina thans uitgestorven is, kwamen leeuwen daar in de oudheid veelvuldig voor. Ze waren in het gebied van de Anti Libanon en het Hermongebergte te vinden (Hoogl. 4:8), alsook in het struikgewas langs de Jordaan (Jer. 49:19; 50:44; Zach. 11:3) en in „het land van benauwdheid en moeilijke omstandigheden”, d.w.z. in de ten Z. van Juda gelegen wildernis. — Jes. 30:6; vergelijk Deuteronomium 8:15.

Er waren tijden dat de herders hun kudden tegen leeuwen moesten beschermen. Bij één gelegenheid sloeg David moedig een leeuw neer en bevrijdde het schaap dat door de leeuw tot zijn prooi was gemaakt (1 Sam. 17:34, 35). Dit was echter een uitzondering. Vaak kon zelfs „een volledig aantal herders” een jonge leeuw met manen niet verschrikken en wegjagen (Jes. 31:4). Soms kon een herder slechts een stuk van het huisdier aan de leeuwemuil ontrukken (Amos 3:12) en zo het bewijs leveren dat nodig was om hem te ontslaan van de verplichting vergoeding te geven. — Ex. 22:13.

Hoewel David, Simson en Benaja op hun eentje leeuwen doodden (Recht. 14:5, 6; 1 Sam. 17:36; 2 Sam. 23:20), ontsnapten anderen niet aan de leeuweklauw (2 Kon. 17:25, 26). Jehovah gebruikte in het geval van een profeet die hem niet had gehoorzaamd (1 Kon. 13:24-28) en een man die had geweigerd met een van Zijn profeten samen te werken (1 Kon. 20:36), een leeuw om zijn oordeel te voltrekken.

De Schrift zinspeelt herhaaldelijk op de eigenschappen en gewoonten van de leeuw, onder andere ook op zijn luide brullen en zijn grommen (Spr. 19:12; 20:2; Amos 3:4, 8). Het dier heeft een vaste tred (Spr. 30:29, 30), terwijl het zijn prooi met een snelheid van ongeveer 60 km per uur kan najagen. Zijn kracht is spreekwoordelijk (Recht. 14:18; Spr. 30:30). Eén enkele klap van de sterke leeuweklauw is genoeg om de nek van een kleine antilope te breken. De leeuw kan dieren die groter zijn dan hijzelf doden en meeslepen; zijn korte, sterke kaken zijn uitgerust met tanden die zo sterk zijn dat ze grote beenderen kunnen breken (Ps. 58:6; Joël 1:6; Jes. 38:13). Geen wonder dat over de luiaard wordt gezegd dat hij zijn nietsdoen verontschuldigt met de woorden: „Er is een leeuw buiten!” (Spr. 22:13; 26:13) Omdat leeuwen carnivoren zijn, kunnen ze omkomen wegens gebrek aan prooi (Job 4:11; zie ook Psalm 34:10). En een „levende hond [hoewel veracht, is] beter af . . . dan een [eens majestueuze, doch thans] dode leeuw”. — Pred. 9:4.

Over het algemeen brengt de leeuw een deel van de dag slapend in zijn leger door en gaat ’s nachts op jacht. Om aan voedsel te komen, bespiedt hij hetzij vanuit een hinderlaag zijn prooi of besluipt hij de prooi totdat hij er dicht genoeg bij is om zich er na een korte sprint meester van te maken (Job 38:39, 40; Ps. 10:9; Klaagl. 3:10). Na de prooi te hebben gedood, verslindt de leeuw gewoonlijk onmiddellijk een deel van het vlees en verstopt of bewaakt het overgeblevene om dat later te eten. Gedurende de tijd dat het vrouwtje de welpen zoogt, voorziet het mannetje haar van voedsel, en later helpt ook het vrouwtje mee om prooi voor de welpen naar het hol te brengen. Pas als de welpen halfvolwassen of zelfs nog ouder zijn, gaan ze echt deelnemen aan de jacht en dan leren ze werkelijk hoe prooi verscheurd moet worden. — Ezech. 19:2, 3; Nah. 2:11, 12; zie ook Psalm 7:2; 17:12.

Vanouds is er door de mens op leeuwen gejaagd. Kuilen en netten werden gebruikt om ze te vangen (Ezech. 19:3, 4, 9). In het oude Assyrië was de leeuwejacht een favoriete sport van de monarch. Gewapend met pijl en boog achtervolgde de koning de leeuwen hetzij te paard of in zijn strijdwagen.

Voor het voltrekken van de doodstraf bediende men zich in de oudheid van hongerige leeuwen. Onder de bescherming van Jehovah’s engel ontsnapte de profeet Daniël aan dit lot (Dan. 6:16, 17, 22, 24; vergelijk Hebreeën 11:33). In de 1ste eeuw G.T. werd de apostel Paulus hetzij letterlijk of figuurlijk „uit de muil van de leeuw bevrijd”. — 2 Tim. 4:17.

DECORATIEF EN FIGUURLIJK GEBRUIK

Graveersels van leeuwen versierden de zijwanden van de koperen wagentjes die voor gebruik in de tempel bestemd waren (1 Kon. 7:27-36). Afgezien van de twee leeuwen die naast de armleuningen van de troon van Salomo stonden, waren op de treden die naar de troon voerden, 12 standbeelden van leeuwen opgesteld (1 Kon. 10:19, 20). Ook de tempel die Ezechiël in een visioen zag, was versierd met cherubs die twee gezichten hadden: een mensengezicht en het gezicht van een jonge leeuw met manen. — Ezech. 41:18, 19.

In de Schrift wordt meestal naar de leeuw verwezen in figuurlijke of illustratieve zin. De gehele natie Israël (Num. 23:24; 24:9) en afzonderlijk de stam Juda (Gen. 49:9) en de stam Gad (Deut. 33:20) werden profetisch met leeuwen vergeleken, als een afbeelding van onoverwinlijkheid en moed in de rechtvaardige oorlogvoering. (Vergelijk 2 Samuël 17:10; 1 Kronieken 12:8; Spreuken 28:1.) Jehovah vergelijkt zichzelf met een leeuw, die aan zijn ontrouwe volk het oordeel voltrekt (Hos. 5:14; 11:10; 13:7-9). En Gods voornaamste Oordeelsvoltrekker, Jezus Christus, is „de Leeuw die uit de stam Juda is” (Openb. 5:5). Het is daarom passend dat de leeuw, als symbool van moedige gerechtigheid, met Jehovah’s tegenwoordigheid en troon in verband wordt gebracht. — Ezech. 1:10; 10:14; Openb. 4:7.

Vanwege zijn wrede, hebzuchtige en roofzuchtige eigenschappen werd de leeuw ook gebruikt als symbool van de goddelozen (Ps. 10:9), van personen die Jehovah en zijn volk tegenstaan (Ps. 22:13; 35:17; 57:4; Jer. 12:8), van valse profeten (Ezech. 22:25), goddeloze heersers en vorsten (Spr. 28:15; Zef. 3:3), de Babylonische wereldmacht (Dan. 7:4) en Satan de Duivel (1 Petr. 5:8). En het zevenkoppige, tienhoornige wilde beest dat uit de zee opstijgt en zijn autoriteit van Satan ontvangt, werd met een leeuwemuil afgebeeld (Openb. 13:2). In Psalm 91:13 schijnen de leeuw en de cobra de macht van de vijand aan te duiden: de leeuw als beeld van de openlijke aanval en de cobra als beeld van onderhandse intriges, listigheid. — Vergelijk Lukas 10:19; 2 Korinthiërs 11:3; zie VREDE.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen