Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • ad blz. 1045-1047
  • Melaatsheid

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Melaatsheid
  • Hulp tot begrip van de bijbel
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • DE VERSCHILLENDE VERSCHIJNINGSVORMEN EN HUN GEVOLGEN
  • DIAGNOSE
  • Aan kleding en huizen
  • ALS EEN TEKEN
  • IN ELISA’S TIJD
  • DOOR JEZUS EN ZIJN DISCIPELEN GENEZEN
  • Melaatsheid
    Inzicht in de Schrift, Deel 2
  • Melaatsheid
    Verklarende woordenlijst
  • Mijn leven als lepralijder — Vreugdevol en geestelijk gezegend
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1998
  • Wist u dit?
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2009
Meer weergeven
Hulp tot begrip van de bijbel
ad blz. 1045-1047

MELAATSHEID.

Een weerzinwekkende en gruwelijke ziekte die zich in verscheidene vormen voordoet en in de bijbel wordt aangeduid met de Hebreeuwse uitdrukking tsa·raʹ‛ath en het Griekse woord leʹpra. Iemand die aan deze ziekte lijdt, wordt een melaatse genoemd.

In de Schrift omvat „melaatsheid” niet alleen de ziekte die thans onder deze naam bekend is, want behalve mensen konden ook kleding en huizen erdoor aangetast worden (Lev. 14:55). De Hebreeuwse uitdrukking tsa·raʹ‛ath kan tevens betrekking hebben gehad op wat tegenwoordig Elephantiasis graecorum (Grieks-Latijn voor olifantsziekte) wordt genoemd, maar dat is niet met zekerheid te achterhalen. De hedendaagse melaatsheid wordt thans doorgaans lepra of ook wel ziekte van Hansen genoemd, naar dr. Gerhard A. Hansen, de ontdekker van de bacterie die algemeen als de verwekker van deze kwaal wordt beschouwd. Doch hoewel de uitdrukking tsa·raʹ‛ath meer omvat dan de hedendaagse lepra, kwam in bijbelse tijden in het Midden-Oosten ongetwijfeld ook de tegenwoordig als lepra of ziekte van Hansen bekendstaande vorm van melaatsheid voor.

DE VERSCHILLENDE VERSCHIJNINGSVORMEN EN HUN GEVOLGEN

Tegenwoordig onderscheidt men drie hoofdvormen van melaatsheid of de ziekte van Hansen (die slechts licht besmettelijk is). Bij de eerste, de knobbelmelaatsheid of zogenoemde zwarte lepra, ontstaan er huidverdikkingen en vormen zich knobbels, eerst in de gelaatshuid en vervolgens op andere delen van het lichaam. Ook treden er degeneratieverschijnselen op aan de keel- en neusslijmvliezen van het slachtoffer. Een ander type is de zenuwlepra, soms witte melaatsheid genoemd. Ze is minder kwaadaardig dan de zwarte lepra en tast voornamelijk de perifere zenuwen aan. Ze kan pijnlijke plekken in de huid tot gevolg hebben, maar kan ook tot gevoelloosheid leiden. Bij het derde type melaatsheid zijn beide vormen gemengd en treedt een combinatie van de symptomen der beide zojuist beschreven vormen op.

In het gevorderde stadium van melaatsheid scheiden de zwellingen die zich aanvankelijk ontwikkelen pus af, hoofdhaar en wenkbrauwen kunnen uitvallen, nagels kunnen los gaan zitten, verteren en afvallen. Vervolgens kunnen de vingers, ledematen, neus of ogen van het slachtoffer langzaam weggevreten worden. In de ernstigste gevallen treedt uiteindelijk de dood in. Dat het bijbelse begrip „melaatsheid” beslist ook op zo’n ernstige ziekte kan duiden, blijkt uit het feit dat Aäron het een ziekte noemde waarbij het vlees „half verteerd” wordt. — Num. 12:12.

Deze beschrijving draagt bij tot een beter begrip van de bijbelse verwijzingen naar deze gevreesde kwaal en doet ons beter beseffen wat een rampzalige gevolgen Uzzia’s aanmatigende poging had om reukwerk te offeren in Jehovah’s tempel, wat voor hem een ongeoorloofde daad was. — 2 Kon. 15:5; 2 Kron. 26:16-23.

DIAGNOSE

Door middel van de Mozaïsche wet verschafte Jehovah Israël inlichtingen die de priester in staat stelden melaatsheid te constateren en een onderscheid te maken tussen deze en andere, minder ernstige huidaandoeningen. Uit wat in Leviticus 13:1-46 staat opgetekend, weten wij dat melaatsheid kan beginnen met een uitslag, een roof, een vlek, een zweer, of met een door vuur veroorzaakt litteken in iemands vlees. Soms waren de symptomen zeer duidelijk. Het haar in het aangetaste gebied was wit geworden en men kon zien dat de kwaal dieper zat dan de huid. Wanneer bijvoorbeeld een witte uitslag op de huid het haar wit had doen worden en rauw vlees in de uitslag verscheen, betekende dit dat iemand door melaatsheid was getroffen en onrein verklaard moest worden. Zat de plek echter niet dieper dan de huid, dan werd de betreffende persoon een tijdlang in quarantaine geplaatst en moest hij zich daarna door de priester laten bekijken, die dan tot een definitief oordeel in de kwestie kwam.

Erkend werd dat melaatsheid een stadium kon bereiken waarin er geen besmettingsgevaar was. Wanneer de melaatsheid zich over het hele lichaam had uitgebreid zodat de gehele huid wit geworden was en er geen levend vlees zichtbaar was, duidde dit erop dat het infectieuze stadium voorbij was en dat alleen de sporen van de ziekte nog te zien waren. Dan moest de priester het slachtoffer rein verklaren, omdat de ziekte voor niemand meer gevaar opleverde. — Lev. 13:12-17.

Ingeval de ziekte van de melaatse was geweken en hij genezen was, waren er voorzieningen die hem in staat stelden zich ceremonieel te reinigen. De priester kon bijvoorbeeld slachtoffers ten behoeve van hem brengen (Lev. 14:1-32). Maar een melaatse die niet genas, werd door de priester onrein verklaard. De kleren van het slachtoffer werden dan gescheurd, zijn hoofdhaar moest onverzorgd blijven, hij moest de snor of bovenlip bedekken en „Onrein, onrein!” roepen. Hij moest in afzondering buiten de legerplaats wonen (Lev. 13:43-46), een maatregel die genomen werd opdat de melaatse degenen te midden van wie Jehovah verblijf hield, niet kon besmetten (Num. 5:1-4). Het schijnt dat in bijbelse tijden melaatsen met elkaar omgingen of in groepen leefden, waardoor zij elkaar konden bijstaan. — 2 Kon. 7:3-5; Luk. 17:12.

Aan kleding en huizen

Melaatsheid kon ook wollen of linnen kledingstukken of een van huiden vervaardigd voorwerp aantasten. Kwam de plaag door wassen tot stilstand, dan moest het voorwerp in quarantaine geplaatst worden. Maar indien deze geelachtig groene of roodachtige plaag hardnekkig bleek, was er sprake van kwaadaardige melaatsheid en moest het voorwerp verbrand worden (Lev. 13:47-59). Indien de muur van een huis geelachtig groene of roodachtige uithollingen begon te vertonen, moest de priester het huis in quarantaine plaatsen. Het kon soms nodig zijn aangetaste stenen uit te breken en het huis van binnen te laten afkrabben, waarna de stenen en de afgeschraapte mortel op een onreine plaats buiten de stad werden gestort. Trad de plaag opnieuw op, dan werd het huis onrein verklaard en afgebroken, en het puin werd afgevoerd naar een onreine plaats. Maar werd het huis rein verklaard, dan moest het volgens voorschrift gereinigd worden (Lev. 14:33-57). Er is wel geopperd dat de melaatsheid die kledingstukken of huizen aantastte, een soort meeldauw of schimmel was, maar hiervoor bestaan geen steekhoudende bewijzen.

ALS EEN TEKEN

Melaatsheid behoorde tot de tekenen die Jehovah Mozes liet verrichten om de Israëlieten te bewijzen dat God hem gezonden had. Op Gods aanwijzing stak Mozes zijn hand in de borstplooi van zijn kleed, en toen hij ze terugtrok, „was zijn hand door melaatsheid aangetast, als sneeuw!” De hand werd weer „als de rest van zijn vlees” toen hij ze opnieuw in de borstplooi van zijn kleed stak en er weer uithaalde (Ex. 4:6, 7). Mirjam werd door God met „melaatsheid geslagen, wit als sneeuw”, omdat zij tégen Mozes had gesproken. Mozes smeekte God haar te genezen, hetgeen gebeurde, maar ze werd gedurende zeven dagen in quarantaine geplaatst buiten de legerplaats. — Num. 12:1, 2, 9-15.

IN ELISA’S TIJD

De Syriër Naäman was „een dappere, sterke man, ofschoon hij melaats was” (2 Kon. 5:1). Door zijn trots verspeelde hij bijna de kans om genezen te worden, doch toen hij uiteindelijk Elisa’s aanwijzingen opvolgde en zich zevenmaal in de Jordaan onderdompelde, ’keerde zijn vlees terug als het vlees van een kleine jongen, en hij werd rein’ (2 Kon. 5:14). Daarop werd hij een aanbidder van Jehovah. Maar Elisa’s door hebzucht gedreven bediende Gehazi wist Naäman ertoe te brengen hem in naam van de profeet een geschenk te geven, waardoor hij zijn meester in een verkeerd daglicht plaatste en in feite de onverdiende goedheid van God tot een middel voor materieel gewin maakte. Wegens zijn lage daad werd Gehazi nu door God met melaatsheid geslagen en werd hij „een melaatse wit als sneeuw”. — 2 Kon. 5:20-27.

Dat er in Elisa’s tijd in Israël nogal wat melaatsen waren, blijkt uit het feit dat toen hij in de stad Samaria was, zich buiten de poort vier melaatsen bevonden (2 Kon. 7:3). In het algemeen schonken de Israëlieten echter weinig geloof in deze man van de ware God. Het verging hem net als Jezus, die al evenmin aanvaard werd door de joden die in het gebied woonden waar hij vandaan kwam. Daarom zei Christus: „En in de tijd van de profeet Elisa waren er vele melaatsen in Israël; toch werd niemand van hen gereinigd, behalve Naäman, de Syriër.” — Luk. 4:27.

DOOR JEZUS EN ZIJN DISCIPELEN GENEZEN

Tijdens zijn bediening in Galilea genas Jezus een melaatse die door Lukas wordt beschreven als „een man die overdekt was met melaatsheid”. Jezus beval hem het aan niemand te vertellen en zei: „Maar ga heen en laat u aan de priester zien, en breng een offer in verband met uw reiniging, zoals Mozes heeft voorgeschreven, tot een getuigenis voor hen.” — Luk. 5:12-16; Matth. 8:2-4; Mark. 1:40-45.

Toen Christus de 12 apostelen uitzond, droeg hij hun onder andere op: „Maakt melaatsen rein” (Matth. 10:8). Toen Jezus later door Samaria en Galilea trok, genas hij in een zeker dorp tien melaatsen. Slechts een van hen, een Samaritaan, „keerde terug, . . . terwijl hij God met een luide stem verheerlijkte”, en viel op zijn aangezicht aan Jezus’ voeten neer om hem te danken voor wat hij ten behoeve van hem had gedaan (Luk. 17:11-19). Merk ook op dat Jezus Christus zich kort voor zijn dood in Bethanië in het huis van Simon de melaatse (die wellicht door Jezus genezen was) bevond toen Maria hem met kostbare welriekende olie zalfde. — Matth. 26:6-13; Mark. 14:3-9; Joh. 12:1-8.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen