Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • ad blz. 954-955
  • Lampestandaard

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Lampestandaard
  • Hulp tot begrip van de bijbel
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • IN DE TABERNAKEL
  • Ontwerp
  • Gebruik
  • IN DE TEMPELS
  • De door Herodes herbouwde tempel
  • FIGUURLIJK GEBRUIK
  • Lampestandaard
    Inzicht in de Schrift, Deel 2
  • ‘Ik ken je daden’
    Leven en dienen als christenen: werkboek voor vergaderingen 2019
  • Knop
    Inzicht in de Schrift, Deel 2
  • Knop
    Hulp tot begrip van de bijbel
Meer weergeven
Hulp tot begrip van de bijbel
ad blz. 954-955

LAMPESTANDAARD

[Hebreeuws: menō·rahʹ; Grieks: luchʹni·a].

Een standaard of onderstel voor een of meer olielampen. Hoewel de bijbel over lampestandaarden in huizen en andere gebouwen spreekt (2 Kon. 4:10; Dan. 5:5; Luk. 8:16; 11:33), wordt daarin vooral de nadruk gelegd op de lampestandaarden die in verband met de ware aanbidding werden gebruikt.

IN DE TABERNAKEL

Jehovah gebood Mozes in een visioen om voor gebruik in de tabernakel een lampestandaard ’van zuiver goud, van gedreven werk’ te maken. Deze moest met zijn lampen en ander gerei een talent wegen (Ex. 25:31, 39, 40; 37:17, 24; Num. 8:4), hetgeen overeenkomt met ca. 34 kg.

Ontwerp

De lampestandaard in „het Heilige”, de voorste afdeling van de tabernakel (Hebr. 9:2), bestond uit een schacht met zes armen. Deze armen gingen aan beide zijden van de schacht uit en stonden boogsgewijs omhoog. De schacht was met vier kelken in de vorm van amandelbloesems versierd, en afwisselend waren er knoppen en bloesems aangebracht. Het is niet precies bekend om wat voor bloesems het ging; het hier gebruikte Hebreeuwse woord kan op elke bloem betrekking hebben. Op elk van de zes armen bevonden zich drie kelken, met afwisselend knoppen en bloemen. Uit de bijbelse beschrijving zou men kunnen opmaken dat de knoppen op dezelfde plaats aan de schacht zaten waar de armen uit de schacht kwamen. Op de schacht en op de uiteinden van elke arm brandden met zuivere, gestoten olijfolie gevulde lampen. Tot het bijbehorende gerei behoorden snuiters, vuurpotten en olievaten. — Ex. 25:31-38; 37:18-23; Lev. 24:2; Num. 4:9.

Bezaleël van de stam Juda en Oholiab van de stam Dan hadden het opzicht over de eigenlijke constructie van de lampestandaard (Ex. 31:1-11; 35:30-35). Deze mannen waren ongetwijfeld goede kunsthandwerkers die hun beroep waarschijnlijk hadden geleerd toen zij slaven in Egypte waren. Jehovah vervulde hen nu echter met zijn geest, zodat zij perfect werk konden leveren, ja, zij moesten alles maken volgens het model dat aan Mozes geopenbaard en medegedeeld was. — Ex. 25:9, 40; 39:43; 40:16.

Gebruik

Mozes „plaatste . . . de lampestandaard in de tent der samenkomst tegenover de tafel, aan de zuidzijde van de tabernakel”. Klaarblijkelijk stond de lampestandaard parallel met de zuidzijde van de tent (wanneer men binnenkwam, aan de linkerkant) tegenover de tafel met de toonbroden. Het licht scheen „op de ruimte vóór de lampestandaard” en verlichtte aldus het Heilige, waarin zich ook het gouden reukaltaar bevond. — Ex. 40:22-26; Num. 8:2, 3.

Toen Mozes op 1 Nisan in 1512 v.G.T. met de oprichting van de tabernakel klaar was, handelde hij in overeenstemming met Jehovah’s instructies door de lampen te ontsteken (Ex. 40:1, 2, 4, 25). Later was dit de taak van Aäron (Num. 8:3), en nadien bracht hij (en de hogepriesters na hem) „van de avond tot de morgen, voortdurend, voor het aangezicht van Jehovah” de lampestandaard in orde (Lev. 24:3, 4). Wanneer Aäron „elke morgen” de lampen in gereedheid bracht en ze „tussen de twee avonden” ontstak, offerde hij op het gouden altaar ook reukwerk. — Ex. 30:1, 7, 8.

IN DE TEMPELS

David gaf de bouwplannen voor de tempel, die hij door inspiratie had ontvangen, aan zijn zoon Salomo. Daartoe behoorden ook aanwijzigingen voor de vervaardiging van gouden en zilveren lampestandaarden (1 Kron. 28:11, 12, 15, 19). In het Heilige van de tempel stonden tien gouden lampestandaarden. „Vijf [werden er] rechts en vijf links” gezet wanneer men naar het oosten keek, of, vijf aan de zuidzijde en vijf aan de noordzijde (1 Kon. 7:48, 49; 2 Kron. 4:20). De lampestandaarden waren alle tien „volgens hetzelfde plan” gemaakt (2 Kron. 4:7). Ze waren vermoedelijk veel groter dan de lampestandaard in de tabernakel, want ook de tempel en zijn toebehoren, zoals de „gegoten zee”, waren groter (2 Kron. 3:3, 4; 1 Kon. 7:23-26). De zilveren lampestandaarden bevonden zich ongetwijfeld niet in het Heilige of in het Allerheiligste, maar in de voorhoven of in andere vertrekken, want het toebehoren van het Heilige en het Allerheiligste was van goud. Net als in de tabernakel werden de lampen van de gouden lampestandaarden voortdurend „elke avond” ontstoken. — 2 Kron. 13:11.

Toen de tempel in 607 v.G.T. door de Babyloniërs werd verwoest, bevonden zich ook lampestandaarden onder het gouden en zilveren gerei dat uit het huis van Jehovah werd meegenomen. — Jer. 52:19.

De door Herodes herbouwde tempel

Aangezien de door Herodes herbouwde tempel zeer luisterrijk was, mag men aannemen dat in deze tempel even mooie en kostbare lampestandaarden stonden als in de tempel van Salomo. In de Schrift wordt er echter geen gewag van gemaakt. Dat er zo’n lampestandaard is geweest, blijkt uit de beschrijving die Josephus ervan geeft en uit een afbeelding op een bas-reliëf dat zich aan de binnenzijde van de Titusboog in Rome bevindt. Op deze boog staan bepaalde voorwerpen afgebeeld die uit Jeruzalem werden meegenomen nadat de stad in 70 G.T. door de Romeinen was verwoest. Josephus beweert een ooggetuige te zijn geweest van deze triomftocht die ter ere van keizer Vespasianus en zijn zoon Titus werd gehouden. In een beschrijving van de voorwerpen die in deze zegetocht werden meegevoerd, noemt Josephus „een kandelaar eveneens van goud gemaakt, maar van een geheel anderen vorm dan die bij ons gewoonlijk gebruikt wordt. Immers verhief zich in het midden uit den voet een stam, waaruit dunne takken te voorschijn kwamen, in den vorm van een driekant bij elkander gevoegd; aan ieder van deze was een koperen lamp aangebracht; dezen waren zeven in getal.” — De joodse oorlog, VII, v, 5.

William Whiston zegt in het door hem in het Engels vertaalde zoëven genoemde werk in een voetnoot bij de beschrijving die Josephus van de kandelaar geeft: „Allereerst zij echter het volgende opgemerkt: (1.) Josephus zegt dat de in deze triomftocht meegevoerde lampestandaard er anders heeft uitgezien dan die welke in de tempel stond. Het aantal kleine knoppen en bloesems, zoals die op de triomfboog staan afgebeeld, komt niet met de beschrijving van Mozes overeen, Exod. xxv. 31-36. (2.) In vergelijking met de armen van de op de Titusboog afgebeelde lampestandaard zijn de armen van de door Josephus beschreven lampestandaard dunner.”

Het is dus heel goed mogelijk dat de afbeelding van de lampestandaard op de Titusboog in het allergunstigste geval de voorstelling van een kunstenaar was en de werkelijke vorm van de lampestandaard slechts in vage trekken weergeeft. De dikte van de armen, de zware voet en zijn versieringen alsook de versieringen aan de schacht en aan de armen kunnen heel anders zijn geweest dan die van de echte lampestandaard.

FIGUURLIJK GEBRUIK

De profeet Zacharia zag in een visioen een ongewone gouden lampestandaard. Net als de lampestandaard in de tabernakel had hij zeven lampen, maar deze lampen hadden zeven pijpen. Geleerden begrijpen uit deze woorden dat de zeven lampen elk een pijp hadden. Bovendien bevond zich boven op de lampestandaard een schaal. Waarschijnlijk werden de lampen door de pijpen voortdurend van olie voorzien. De olie kwam klaarblijkelijk van de twee olijfbomen die de profeet naast de lampestandaard zag staan. — Zach. 4:2, 3, 12.

Jehovah God gaf de apostel Johannes via de verheerlijkte Jezus Christus een visioen. Johannes zag „zeven gouden lampestandaarden, en in het midden van de lampestandaarden iemand gelijk een mensenzoon”. Deze — volgens de beschrijving was het Jezus Christus — zette aan Johannes uiteen dat de lampestandaarden zeven gemeenten betekenden (Openb. 1:1, 12, 13, 20). Deze lampestandaarden in het visioen leken vermoedelijk op de ene lampestandaard die de tabernakel verlichtte, zodat de priesters daar hun dienst konden verrichten. Dat gemeenten door lampestandaarden worden afgebeeld, is in overeenstemming met de woorden die Jezus tot toegewijde dienstknechten van God richtte: „Gij zijt het licht der wereld” (Matth. 5:14). Hij wandelt „te midden van de zeven gouden lampestandaarden” en houdt derhalve toezicht op alles wat zij als lichtdragers doen. — Openb. 2:1.

Christus gaf de gemeente in Efeze raad en waarschuwde dat hij de lampestandaard van zijn plaats zou verwijderen indien zij geen berouw hadden. Dit zou ongetwijfeld betekenen dat zij niet langer gebruikt zouden worden om in hun omgeving het licht der waarheid te laten schijnen, maar dat hun licht gedoofd zou worden. — Openb. 2:1-5; vergelijk Mattheüs 6:22, 23.

De laatste in de bijbel genoemde lampestandaarden vertonen enkele overeenkomsten met die uit Zacharia’s visioen. Van „twee getuigen” die in zakken gehuld moesten profeteren, wordt gezegd dat zij zinnebeeldig „de twee olijfbomen en de twee lampestandaarden” waren. — Openb. 11:3, 4.

[Illustratie op blz. 954]

De lampestandaard op de Titusboog in Rome

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen