KENIET
(Keni̱e̱t).
Een lid van een volk dat in de dagen van Abram (Abraham) in Kanaän of in de omgeving daarvan woonde. De Schrift biedt echter geen definitief genealogisch houvast om hun oorsprong te kunnen bepalen. — Gen. 15:18-21.
Toen Mozes uit Egypte naar het land Midian vluchtte, trouwde hij in een Kenitische familie die daar woonde. Wanneer in een verslag aan de orde komt dat leden van deze familie in Midian woonden, worden zij Midianieten genoemd; in andere gevallen worden zij aangeduid als Kenieten. Hieruit valt op te maken dat Mozes’ schoonvader Jethro, „de priester van Midian”, en zijn zwager Hobab van geografisch standpunt uit bezien misschien Midianieten geweest zijn (Ex. 2:15, 16; 3:1; 18:1; Num. 10:29, 30; Recht. 1:16). Indien Mozes’ verwanten daarentegen werkelijk nakomelingen van Midian waren, kan het zijn dat zij Kenieten genoemd werden omdat zij tot een Kenitische tak of familie van de Midianieten behoorden. In dat geval zouden zij tot een ander Kenitisch geslacht hebben behoord dan de Kenieten die ten tijde van Abraham vóór de geboorte van Midian leefden.
Toen de Israëlieten op het punt stonden het gebied rond de berg Sinaï te verlaten, verzocht Mozes Hobab hen te vergezellen om de natie als „ogen” of als verkenner te dienen, omdat hij de streek goed kende. Hoewel Hobab dit verzoek aanvankelijk van de hand wees, is hij kennelijk toch meegegaan, want later wordt vermeld dat de Kenieten zich in de wildernis van Juda ten Z. van Arad vestigden. — Num. 10:29-32; Recht. 1:16.
In een latere periode zonderde Heber, de Keniet, zich van de andere Kenieten af en sloeg zijn tent bij Kedes op (Recht. 4:11). Toen de Kanaänitische strijdkrachten werden verslagen, „vluchtte [Sisera] te voet naar de tent van Jaël, de vrouw van de Keniet Heber, want er heerste vrede tussen Jabin, de koning van Hazor, en het huisgezin van Heber de Keniet”. Daar werd Sisera echter door Jaël gedood. — Recht. 4:17-21; 5:24-27.
In de dagen van koning Saul woonden er enige Kenieten onder de Amalekieten. Daarom drong Saul, toen hij op het punt stond tegen de Amalekieten ten strijde te trekken, er bij de Kenieten op aan zich af te zonderen teneinde rampspoed te ontgaan. Deze vriendelijkheid werd hun bewezen omdat de Kenieten zelf „liefderijke goedheid [hadden] betracht jegens alle zonen van Israël toen zij uit Egypte optrokken” (1 Sam. 15:5, 6; vergelijk Exodus 18:8, 9; Numeri 10:29-33). Later vertelde David aan Achis dat hij een inval had gedaan „in het zuiden van de Kenieten” (1 Sam. 27:10). Dit was echter een list. In werkelijkheid stonden de Kenieten op vriendschappelijke voet met de Israëlieten. Toen David derhalve Ziklag plunderde, zond hij een deel van de buit „aan die in de steden van de Kenieten”, waarschijnlijk in het bergland in het Z. van Juda. — 1 Sam. 30:29.
De families van de schrijvers die te Jabez woonden, waren Kenieten „die afstamden van Hammath, de vader van het huis van Rechab” (1 Kron. 2:55). Zij worden in verband met nakomelingen van Juda genoemd. — 1 Kron. 2:3.
Het feit dat de Kenieten in verschillende tijden en op verschillende plaatsen met diverse volken te zamen woonden, kan erop wijzen dat dit nomadische of ten dele nomadische volk niet volledig in een andere stam of een ander volk opging.
De bijbel bericht niet specifiek wat er met de Kenieten, die ook wel „Kajin” worden genoemd, gebeurd is. Bileam stelt in zijn spreukachtige rede over de Kenieten de vraag: „Hoe lang zal het nog duren voordat Assyrië u gevankelijk zal wegvoeren?” (Num. 24:21, 22) Het kan dus zijn dat er in het noordelijke koninkrijk Israël en de omliggende gebieden enige Kenieten woonden die samen met de Israëlieten door de Assyriërs in gevangenschap werden gevoerd. — 2 Kon. 15:29; 17:6.