Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • ad blz. 829-830
  • Jonathan

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Jonathan
  • Hulp tot begrip van de bijbel
  • Vergelijkbare artikelen
  • Jonathan
    Inzicht in de Schrift, Deel 1
  • Jonathan — ’een man uit duizend’
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1980
  • ‘Een hechte vriendschap’
    Volg hun geloof na
  • Jonathan — ’Hij heeft met God gewerkt’
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2007
Meer weergeven
Hulp tot begrip van de bijbel
ad blz. 829-830

JONATHAN

(Jo̱nathan) [Jehovah heeft gegeven].

De Nederlandse weergave van de Hebreeuwse namen Jō·na·thanʹ en de langere vorm Jehō·na·thanʹ.

1. Een leviet die als priester diende in verband met de valse aanbidding die in het huis van Micha in Efraïm en later ook door de Danieten werd beoefend. Het verslag in Rechters hoofdstuk 17 en 18 maakt herhaaldelijk melding van een jonge leviet, die in Rechters 18:30 „Jonathan, de zoon van Gersom, Mozes’ zoon,” wordt genoemd. Dat er eerder over hem werd gezegd dat hij „uit de familie van Juda” was, kan eenvoudig betrekking hebben op het feit dat hij in Bethlehem in het gebied van Juda woonde.

De rondtrekkende Jonathan kwam ten slotte bij het huis van Micha in het bergland van Efraïm. Micha had in zijn huis een gesneden beeld opgesteld. Jonathan stemde erin toe als priester voor het huisgezin op te treden, hoewel hij niet tot de familie van Aäron behoorde en er bij de aanbidding een beeld werd gebruikt. Later hadden vijf Danieten, op zoek naar een plaats waar een deel van hun stam zich zou kunnen vestigen, een ontmoeting met Jonathan. Zij verzochten hem aan God te vragen of zij succesvol zouden zijn, en hij gaf hun in de naam van Jehovah een gunstig antwoord.

Toen de hoofdmacht van 600 Danieten met hun gezinnen en hun vee op weg naar het N. langs Micha’s huis kwam, namen zij de voorwerpen van aanbidding, met inbegrip van het gesneden beeld, mee. Ook haalden zij de zelfzuchtige Jonathan ertoe over zich bij hen aan te sluiten en hun priester te worden, in plaats van slechts voor één enkel huisgezin priester te zijn (Recht. 17:7–18:21). Jonathan „en zijn zonen werden priesters voor de stam der Danieten tot de dag dat het land in ballingschap werd gevoerd” (Recht. 18:30). Volgens sommige commentators wordt daarmee gedoeld op een verovering van het district zoals die door Tiglath-Pileser III of op de onderwerping van al de noordelijke stammen door Salmaneser V (2 Kon. 15:29; 17:6). Maar aangezien Samuël kennelijk de schrijver van het boek Rechters was, moet hiermee een eerdere gebeurtenis bedoeld zijn. Rechters 18:31 vermeldt dat de Danieten het gesneden beeld „voor zich opgesteld [hielden] gedurende al de dagen dat het huis van de ware God in Silo bleef”. Daarmee wordt te kennen gegeven op welke tijdsperiode het voorgaande vers betrekking heeft, pleitend voor de zienswijze dat de zonen van Jonathan als priesters hebben gediend totdat de Ark door de Filistijnen werd buitgemaakt. Er is wel eens betoogd dat vers 30 zou moeten luiden ’tot de dag dat de Ark in ballingschap werd gevoerd’ (1 Sam. 4:11, 22). Maar zelfs zonder verandering van de tekstweergave kan deze conclusie omtrent de duur van het priesterschap van Jonathans familie juist zijn, want het is mogelijk dat vers 30 uitgaat van de zienswijze dat het land in zekere zin in ballingschap werd gevoerd toen de Ark werd buitgemaakt.

2. De oudste en meest geliefde zoon van de Benjaminitische koning Saul, klaarblijkelijk bij Ahinoam, de dochter van Ahimaäz (1 Sam. 14:49, 50). Jonathan is vooral bekend om zijn onzelfzuchtige vriendschap met en ondersteuning van David, die door Jehovah tot koning was bestemd.

Jonathan wordt voor het eerst in de beginjaren van Sauls regering als een dapper bevelhebber over 1000 krijgslieden genoemd (1 Sam. 13:2). Derhalve moet hij destijds minstens 20 jaar geweest zijn, en daaruit volgt dat hij zeker tegen de 60 geweest moet zijn toen hij in 1077 v.G.T. stierf (Num. 1:3). David was 30 jaar toen Jonathan stierf (1 Sam. 31:2; 2 Sam. 5:4). In de tijd dat er tussen beide mannen een hechte vriendschap bestond, was Jonathan dus blijkbaar ongeveer 30 jaar ouder dan David. Dat Jonathan een volwassen jonge man was toen Saul koning werd, kan wellicht een gedeeltelijke verklaring vormen voor zijn temperament en zijn levensopvatting. In zijn jeugdjaren stond hij waarschijnlijk sterk onder de invloed van zijn vader, die tot de tijd dat hij als koning werd gekozen, bescheidenheid en gehoorzaamheid alsook respect voor Jehovah en zijn regelingen aan de dag had gelegd. — 1 Sam. 9:7, 21, 26; 10:21, 22.

Het eerste wat over Jonathan wordt bericht, is dat hij moedig en met succes 1000 slecht bewapende mannen tegen het garnizoen van de Filistijnen in Geba aanvoerdde. Als reactie hierop trok de vijand zich te Michmas samen. Op zekere dag verwijderden Jonathan en zijn wapendrager zich heimelijk van Saul en zijn mannen en begaven zich naar de voorpost van de vijand. Alleen al door deze daad bewees Jonathan zijn dapperheid en het vermogen om anderen vertrouwen in te boezemen, terwijl hij toch ook Jehovah’s leiding erkende, want hij liet zijn daden afhangen van een teken van God. De twee stoutmoedige krijgers sloegen ongeveer 20 Filistijnen neer, hetgeen uitliep op een complete veldslag en een overweldigende overwinning voor Israël (1 Sam. 13:3–14:23). In de loop van de strijd deed Saul overijld een eed, waardoor een ieder werd vervloekt die iets zou eten voordat de strijd ten einde was. Jonathan was hiervan niet op de hoogte en at wat wilde honing. Toen Jonathan later door Saul ter verantwoording werd geroepen, was hij niet bang om wegens het nuttigen van de honing te moeten sterven. Hij werd echter losgekocht door het volk, dat inzag dat God die dag met hem was geweest. — 1 Sam. 14:24-45.

Deze heldendaden bewijzen duidelijk dat Jonathan een moedig, bekwaam en dapper krijgsman was. Hij en Saul verdienden het ten volle bezongen te worden als ’sneller dan de arenden’ en ’sterker dan de leeuwen’ (2 Sam. 1:23). Hij was een vaardig boogschutter (2 Sam. 1:22; 1 Sam. 20:20). Mogelijk hebben zijn mannelijke eigenschappen hem bij Saul bijzonder geliefd gemaakt. Het is duidelijk dat zij zeer op elkaar gesteld waren (1 Sam. 20:2). Dit deed echter geen afbreuk aan Jonathans ijver voor God en zijn loyaliteit jegens zijn vriend David.

David was naar het hof van de koning gehaald om voor Saul te musiceren, aangezien Jehovah’s geest van de koning was geweken en er een boze geest voor in de plaats was gekomen, iets wat Jonathan wellicht heeft opgemerkt. Hoewel nog jong, was David „een dappere, sterke man en een krijgsman”, en Saul „kreeg hem zeer lief, en hij werd zijn wapendrager”. — 1 Sam. 16:14-23.

De bijzondere vriendschap tussen Jonathan en David ontstond kort nadat David Goliath had gedood. Die onbevreesde daad ter verdediging van Jehovah’s volk moet Jonathan diep bewogen hebben. Toen Jonathan Davids verslag daarover hoorde, werd „de ziel van Jonathan nauw verbonden . . . aan de ziel van David, en Jonathan kreeg hem lief als zijn eigen ziel” (1 Sam. 18:1). De twee moedige krijgers en toegewijde dienstknechten van God „sloten toen een verbond” van vriendschap. Jonathan zag dat David Gods geest bezat (1 Sam. 18:3). Hij beschouwde hem niet vol afgunst als een rivaal, zoals Saul deed. Integendeel, hij had respect voor de wijze waarop God de aangelegenheden bestuurde en gaf daardoor een voortreffelijk voorbeeld aan zijn jongere vriend. In plaats dat Jonathan David doodde, zoals Sauls wens was, waarschuwde hij hem veeleer en probeerde te bemiddelen. Toen David gedwongen was te vluchten, had Jonathan een ontmoeting met hem en sloot een verbond, dat erop neerkwam dat David hem en zijn huisgezin zou beschermen. — 1 Sam. 19:1–20:17.

Weer sprak Jonathan met Saul over David, en dat kostte hem bijna het leven, want in een vlaag van woede slingerde Saul een speer naar zijn eigen zoon. Zoals afgesproken, ontmoetten Jonathan en David elkaar op een veld waar de zoon van de koning zogenaamd naar toe was gegaan om zich te oefenen in het boogschieten (1 Sam. 20:24-40). De twee vrienden versterkten de banden der genegenheid en „voorts kusten zij elkaar en weenden om elkaar”, zoals eveneens van andere mannen in de oudheid bericht wordt en zoals in sommige landen ook nu nog wordt gedaan (1 Sam. 20:41; Gen. 29:13; 45:15; Hand. 20:37). Later had Jonathan in Choresa voor het laatst een ontmoeting met David, en wel „om zijn hand te versterken met betrekking tot God”; zij hernieuwden hun verbond. — 1 Sam. 23:16-18.

Nergens wordt in de bijbel te kennen gegeven dat Jonathan zijn vader hielp bij diens klopjachten op David. Maar in de strijd tegen Gods vijanden, de Filistijnen, streed Jonathan ten dode toe; hij sneuvelde op dezelfde dag als twee van zijn broers en zijn vader. De Filistijnen hingen de lijken aan de muur van Beth-San. Dappere mannen uit Jabes-Gilead haalden ze echter weg en begroeven ze in Jabes. Later bracht David het gebeente van Saul en Jonathan over naar Zela (1 Sam. 31:1-13; 2 Sam. 21:12-14; 1 Kron. 10:1-12). David bedreef diepe rouw over de dood van zijn geliefde vriend Jonathan en zong over Saul en Jonathan zelfs een klaaglied, dat „De boog” heette (2 Sam. 1:17-27). Koning David behandelde Jonathans kreupele zoon Mefiboseth, die vijf jaar was toen zijn vader stierf, bijzonder goedgunstig. Uiteindelijk kreeg hij een vaste plaats aan de tafel van de koning (2 Sam. 4:4; 9:10-13). Jonathans geslachtslijn bleef nog generaties lang voortbestaan. — 1 Kron. 8:33-40.

3. Een zoon van de hogepriester Abjathar en iemand die tijdens Absaloms opstand en Davids vlucht uit Jeruzalem als koerier diende, maar die blijkbaar later de zijde van de opstandige Adonia koos. Jonathans vader trok met David mee toen de toekomstige koning door Saul vogelvrij was verklaard, en later werd Abjathar als hogepriester aangesteld. Toen Absalom de macht had overgenomen, stuurde David Abjathar en Zadok naar de hoofdstad terug opdat zij inlichtingen zouden kunnen verstrekken. Hier wordt Jonathan, de zoon van de priester Abjathar, voor het eerst in het bijbelse verslag vermeld. Hij en Ahimaäz, de zoon van Zadok, moesten hoogst belangrijke boodschappen van hun vaders en van Husai aan David overbrengen (2 Sam. 15:27-29, 36). De twee koeriers konden de stad niet binnenkomen zonder herkend te worden, daarom bleven zij in de nabijheid van de stad, bij een bron of put genaamd En-Rogel, wachten. Toen het erop leek dat Absalom de raad van Husai had aanvaard, werd dit aan de twee wachtende boodschappers bericht. Haastig begaven zij zich op weg om de koning in te lichten. Zij werden ontdekt en achtervolgd en waren bijna gevangengenomen. Geholpen door een vrouw verstopten zij zich in een put tot het gevaar geweken was, en vervolgens gingen zij naar David en gaven hem de raad de Jordaan over te trekken. — 2 Sam. 17:15-22.

In Davids laatste levensdagen smeedde zijn zoon Adonia een samenzwering om in Salomo’s plaats koning te worden, en Abjathar sloot zich bij hem aan. Misschien onder invloed van het voorbeeld van zijn vader liep Jonathan klaarblijkelijk over naar Adonia. Het was Jonathan die de overweldiger van de troon tijdens een feestmaal het verontrustende nieuws bracht dat David het komplot had verijdeld door Salomo koning te maken. De bijbel zegt verder niets meer over Jonathan. Misschien woonde hij daarna bij zijn vader, die naar Anathoth verbannen was, maar wat er ook gebeurd is, het ambt van hogepriester ging niet op zijn familie over. — 1 Kon. 1:41-43; 2:26, 27.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen