JAVAN
(Ja̱van).
De als vierde genoemde zoon van Jafeth en vader van Elisa, Tarsis, Kittim en Dodanim (of Rodanim). Als afstammelingen van Noach uit de periode na de Vloed behoorden zij tot de bevolking van „de eilanden der natiën”, een uitdrukking die ook betrekking kan hebben op de kustgebieden en niet uitsluitend op door water omringde eilanden hoeft te slaan (Gen. 10:2, 4, 5; 1 Kron. 1:5, 7). Uit het historische bewijsmateriaal blijkt dat de afstammelingen van Javan en zijn vier zonen zich gevestigd hebben op de eilanden en in de kustgebieden van de Middellandse Zee, vanaf Cyprus (Kittim) tot misschien wel zover westelijk als Spanje.
Javan (Hebreeuws: Ja·wanʹ) wordt vereenzelvigd met de stamvader van de Ioniërs uit de oudheid, die door sommigen „de vaderstam van de Grieken” worden genoemd (Keil-Delitzsch, The Pentateuch, Deel I, blz. 163). De naam I·aʹo·nes wordt door de dichter Homerus (uit op z’n laatst de 7de eeuw v.G.T.) gebruikt als aanduiding voor de vroege Grieken, en vanaf Sargon II (7de eeuw v.G.T.) begint de naam Iavanoe in Assyrische inscripties op te duiken. Ook de Perzische heerser Darius noemt hen (als Iaoena), en de naam komt in een soortgelijke vorm voor in Oudegyptische verslagen die betrekking hebben op de Ioniërs.
In de loop der tijd werd het gebruik van de naam Ionië beperkt tot Attica (de streek rondom Athene), de westkust van Klein-Azië (overeenkomend met het kustgebied van de latere provincies Lydië en Carië) en de voor de kust gelegen eilanden van de Egeïsche Zee. In de aanduiding voor de zee die tussen Zuid-Griekenland en Zuid-Italië ligt, is de naam „Ionisch” bewaard gebleven, en algemeen wordt erkend dat deze naam van zeer oude herkomst is, waardoor de zienswijze wordt ondersteund dat deze vorm van de naam Javan eens van toepassing is geweest op zowel het vasteland van Griekenland als op het kleinere gebied dat in later tijd als Ionië werd aangeduid.
Na het verslag in Genesis worden de afstammelingen van Javan omstreeks de tweede helft van de 9de eeuw v.G.T. voor het eerst weer genoemd door de profeet Joël. De profeet veroordeelt daar de Tyriërs, Sidoniërs en Filistijnen omdat zij de zonen van Juda en van Jeruzalem als slaven aan „de zonen van de Grieken” (letterlijk: „de zonen van Javan”) hadden verhandeld (Joël 3:4-6). In de 8ste eeuw v.G.T. voorspelt Jesaja dat sommigen van de joden die Gods uiting van gramschap zouden overleven, naar vele landen zouden reizen, waaronder „Javan”, en daar Jehovah’s heerlijkheid zouden verkondigen. — Jes. 66:19.
Aan het einde van de 7de of het begin van de 6de eeuw v.G.T. worden slaven en koperen voorwerpen genoemd als artikelen die door „Javan, Tubal en Mesech [deze laatste twee plaatsen lagen klaarblijkelijk in het O. van Klein-Azië of ten N. daarvan]” geleverd werden aan het rijke handelscentrum Tyrus (Ezech. 27:13). In vers 19 van dezelfde profetie wordt Javan opnieuw genoemd, maar het feit dat de andere plaatsen die in de context genoemd worden in Syrië, Palestina en Arabië liggen, heeft sommigen aanleiding gegeven tot de zienswijze dat de naam Javan hier op een overschrijffout moet berusten. De Griekse Septuaginta luidt hier niet „en Javan uit Uzal”, maar geeft Javan weer met „wijn”, zodat er staat: „en met wijn. Uit Asel [Uzal] . . . ” (LXX, Thompson-Muses). De Willibrordvertaling begint het vers met: „en tonnen wijn uit Izzal.” Anderen opperen echter de gedachte dat Javan hier betrekking zou kunnen hebben op een in Arabië gelegen Griekse kolonie of dat het de naam van een Arabische stam of stad zou kunnen zijn.
In Daniëls profetie wordt „Javan” door de vertalers gewoonlijk weergegeven met „Griekenland”, aangezien uit de historische vervulling van Daniëls geschriften overduidelijk blijkt dat dit bedoeld werd (Dan. 8:21; 10:20; 11:2). Hetzelfde geldt voor de profetie van Zacharia (520–518 v.G.T.), waarin de succesvolle oorlog van de ’zonen van Sion’ tegen Javan („Griekenland”) wordt voorzegd. — Zach. 9:13.