ITALIË.
Het van het Europese vasteland in zuidoostelijke richting in de Middellandse Zee uitstekende laarsvormige schiereiland. Van de Alpen in het N. tot de „grote teen” aan de Straat van Messina in het Z. strekt Italië zich over een lengte van ongeveer 1130 km uit. De breedte van het land varieert tussen de 160 en 240 km en het grenst in het O. aan de Adriatische en in het W. aan de Tyrrheense Zee. Als een ruggegraat loopt de bergketen van de Apennijnen met de zich naar de kustvlakten uitstrekkende vruchtbare dalen over de volle lengte van het schiereiland. De belangrijkste rivieren zijn de Tiber en de Po. Italië is ongeveer net zo groot als de Filippijnen of als Groot-Brittannië, Nederland en België samen.
In de loop der eeuwen hebben mensen van verschillende rassen zich in dit zeer vruchtbare land gevestigd. De eerste Griekse kolonie van betekenis is naar verluidt omstreeks 770 v.G.T. in Cumae, zo’n 15 km ten W. van Napels, gesticht. De vroege geschiedenis van Italië wordt gekenmerkt door oorlogen tussen degenen die er al woonden en de nieuwkomers die van tijd tot tijd in golven het land binnendrongen. Naarmate deze verschillende bevolkingsgroepen zich daar vestigden en door huwelijken in elkaar opgingen, werd het schiereiland een smeltkroes van talen, rassen en gebruiken.
Het christendom bereikte Italië reeds vroeg, want op de pinksterdag van 33 G.T. waren zowel joodse proselieten als joden uit Rome getuige van de uitstorting van de heilige geest en luisterden naar de uiteenzetting van Petrus. Ongetwijfeld waren er ook enigen van hen onder de „ongeveer drieduizend” die destijds werden gedoopt (Hand. 2:1, 10, 41). Zij kunnen na hun terugkeer naar Italië de kern van de christelijke gemeente in Rome hebben gevormd, waaraan Paulus enkele jaren later een van zijn brieven schreef (Rom. 1:1-7). Aquila en Priskilla behoorden waarschijnlijk tot deze gemeente in Italië toen zij krachtens een op 25 januari 50 G.T. door keizer Claudius uitgevaardigde verordening het land moesten verlaten. Zij arriveerden in Korinthe kort voordat Paulus op zijn tweede zendingsreis voor het eerst deze stad bezocht. — Hand. 18:1, 2.
Cornelius, die een legeroverste van de „Italiaanse afdeling” was en in Cesarea woonde, stamde ongetwijfeld uit Italië (Hand. 10:1). In Cesarea beriep Paulus zich tijdens zijn verhoor voor Festus op Caesar. Vervolgens werd hij per boot naar Myra gebracht, waar hij met andere gevangenen werd overgezet op een graanschip uit Alexandrië, dat naar Italië voer (Hand. 25:6, 11, 12; 27:1, 5, 6). Aangezien zij onderweg schipbreuk leden, moesten zij op het eiland Malta overwinteren. Daarna deed Paulus in de lente van 59 G.T. voor het eerst Italië aan, en wel bij Regium, in de „teen” van Italië. Kort daarop ging hij in Puteoli aan de Golf van Napels aan land. Hier, meer dan 160 km ten Z. van Rome, bleef Paulus een week lang in de plaatselijke gemeente alvorens zijn weg naar Rome over de Via Appia te vervolgen. Onderweg ontmoette hij de broeders uit Rome bij „de Marktplaats van Appius en de Drie Taveernen”. — Hand. 28:11-16.