Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • ad blz. 1565-1567
  • Vertaling, uitlegging

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Vertaling, uitlegging
  • Hulp tot begrip van de bijbel
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • VERTALING
  • UITLEGGING VAN PROFETIEËN
  • Vertaling, uitlegging
    Inzicht in de Schrift, Deel 2
  • Tolk
    Inzicht in de Schrift, Deel 2
  • Vertaler
    Hulp tot begrip van de bijbel
  • Wie kan profetieën uitleggen?
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2011
Meer weergeven
Hulp tot begrip van de bijbel
ad blz. 1565-1567

VERTALING, UITLEGGING.

In de bijbel wordt zowel over vertalers als over uitleggers gesproken. De vertaler zet woorden schriftelijk of mondeling in een andere taal over, en een uitlegger kan iemand zijn die bijbelse profetieën verklaart door de zin of de betekenis van profetische dromen, visioenen en van God afkomstige boodschappen duidelijk te maken, zodat ze worden begrepen.

VERTALING

Door de spraakverwarring bij de torenbouw van Babel werd de menselijke familie plotseling meertalig. Hierdoor ontstond vervolgens een nieuw beroep — dat van vertaler of tolk (Gen. 11:1-9). Ongeveer vijf eeuwen later bediende Jozef, die destijds eerste minister van Egypte was, zich van een tolk toen hij zijn Hebreeuwssprekende broers in het Egyptisch toesprak; hij deed dit opdat zij hem niet zouden herkennen (Gen. 42:23). Het Hebreeuwse woord loets — een vorm van dit woord is in deze schriftplaats met „tolk” weergegeven — betekent in feite „stamelen” of „in een onverstaanbare (vreemde) taal spreken”. Hetzelfde woord wordt soms met ’woordvoerder’ weergegeven wanneer het betrekking heeft op een afgezant die een vreemde taal beheerst, zoals „de woordvoerders van de vorsten van Babylon” die naar Juda waren gezonden om met koning Hizkia te spreken. — 2 Kron. 32:31.

De gave om in vreemde talen te spreken, was een van de manifestaties van de heilige geest die God met Pinksteren in 33 G.T. op de getrouwe discipelen van Christus uitstortte. Dit was echter geen herhaling van wat zich 22 eeuwen voordien in de vlakten van Sinear had voorgedaan. De taal die de discipelen tot op dat moment hadden gesproken, werd niet door een nieuwe vervangen, maar zij spraken nog steeds hun moedertaal doch konden tevens in de talen van de aanwezige buitenlanders over de grote daden van God spreken (Hand. 2:1-11). De leden van de vroege christelijke gemeente kregen echter niet alleen het vermogen om in verschillende talen te spreken, maar zij ontvingen ook andere wonderbaarlijke gaven van de geest, met inbegrip van de gave van het vertalen. Bovendien kregen de christenen instructies voor het juiste gebruik van deze gave. — 1 Kor. 12:4-10, 27-30; 14:5, 13-28.

Het opmerkelijkste voorbeeld van het vertalen van de ene taal in de andere is de overzetting van de bijbeltekst in vele, vele talen — een immense taak die eeuwen gevergd heeft. Tegenwoordig is de bijbel geheel of gedeeltelijk in meer dan 1900 talen verkrijgbaar. Geen van deze vertalingen of hun vertalers was echter geïnspireerd. Geschiedkundig bezien, dateert dit vertaalwerk uit de 3de eeuw v.G.T., toen er een begin werd gemaakt met de vervaardiging van de Septuaginta — de vertaling van de Hebreeuwse en Aramese geïnspireerde heilige geschriften, die thans 39 boeken omvatten, in het gemeenschappelijke koiʹne-Grieks, de internationale taal van die tijd.

De schrijvers van de 27 boeken van de christelijke Griekse Geschriften, waardoor de bijbelcanon werd voltooid, deden dikwijls aanhalingen uit de Hebreeuwse Geschriften. Kennelijk citeerden zij soms liever de Griekse Septuaginta dan zelf de Hebreeuwse tekst van de Schrift te vertalen. (Vergelijk Psalm 40:6 [39:6, LXX] met Hebreeën 10:5.) Maar zij vertaalden ook zelf, zij het tamelijk vrij, zoals uit een vergelijking van Hosea 2:23 met Romeinen 9:25 blijkt. Dat zij parafraseerden en niet letterlijk vertaalden, kan ook worden opgemaakt uit een vergelijking van Deuteronomium 30:11-14 met Romeinen 10:6-8.

Tot nut van hun lezers vertaalden deze bijbelschrijvers vaak de namen van personen en plaatsen, alsook titels en uitdrukkingen. Zij omschreven en gaven de betekenis van namen zoals Cefas, Barnabas, Tabitha, Bar-Jezus en Melchizedek (Joh. 1:42; Hand. 4:36; 9:36; 13:6, 8; Hebr. 7:1, 2), alsook van de titels Immanuël, Rabbi en Messias (Matth. 1:23; Joh. 1:38, 41), en van plaatsnamen zoals Golgotha, Siloam en Salem (Mark. 15:22; Joh. 9:7; Hebr. 7:2), en zij vertaalden de woorden „Talitha koemi” en „Eli, Eli, lama sabachthani”. — Mark. 5:41; 15:34.

Het Griekse woord her·me·neuʹo betekent „verklaren, uitleggen, vertalen, vertolken” (Joh. 1:42; 9:7; Hebr. 7:2). Het is verwant aan de naam van de Griekse god Hermes (Mercurius), die volgens de oude mythologie niet alleen de bode, heraut en tolk van de goden was, maar ook de patroon van de schrijvers, redenaars en vertalers. De heidense bevolking van Lystra noemde Paulus „Hermes, omdat hij het woord voerde” (Hand. 14:12). Het woord „hermeneutiek” heeft betrekking op uitlegging of exegese. Het voorvoegsel meʹta duidt op „een verandering”, en wanneer het voor her·me·neuʹo wordt geplaatst, onstaat het woord met·her·me·neuʹo, dat in de bijbel eveneens verschillende malen voorkomt. Het betekent van de ene taal in de andere overzetten of vertalen, en het staat altijd in de lijdende (passieve) vorm, zoals „hetgeen vertaald betekent”. — Matth. 1:23.

UITLEGGING VAN PROFETIEËN

Een versterkte en geïntensifieerde vorm van her·me·neuʹo is di·er·me·neuʹo, hetgeen „volledig verklaren, volledig uitleggen” betekent. Dit woord wordt hetzij met betrekking tot het vertalen van talen of het uitleggen van profetieën gebruikt, maar in beide gevallen heeft het de betekenis van iets volledig doen.

Lukas gebruikte derhalve het woord di·er·me·neuʹo toen hij beschreef hoe Jezus op de weg naar Emmaüs aan twee van zijn discipelen ’uitlegde wat in al de Schriften op hem betrekking had’, beginnend bij de geschriften van Mozes en de profeten. De twee discipelen vertelden later aan anderen wat hun was overkomen en hoe Jezus „de Schriften volledig voor [hen] opende”. — Luk. 24:13-15, 25-32.

Dus·er·me·neuʹtos heeft een tegengestelde betekenis. Dit woord werd door Paulus gebruikt en komt alleen in Hebreeën 5:11 voor. Het betekent „moeilijk uit te leggen”, d.w.z. „moeilijk te verklaren”. — Zie NW, Studiebijbel en Kingdom Interlinear Translation.

Een ander Grieks woord dat met „uitlegging” wordt weergegeven, is e·piʹlu·sis, dat is afgeleid van het Griekse werkwoord dat „ontbinden of losmaken” betekent en derhalve de betekenis heeft van verklaren of oplossen. Ware profetieën zijn niet aan de meningen of uitleggingen van mensen ontsproten, maar komen veeleer uit God voort. Daarom schrijft Petrus: „Geen profetie der Schrift [ontstaat] door enige eigen uitlegging [e·pi·luʹse·os] . . . maar mensen hebben van Godswege gesproken zoals zij door heilige geest werden meegevoerd” (2 Petr. 1:20, 21). Bijbelprofetieën zijn dan ook nooit het produkt van scherpzinnige gevolgtrekkingen en voorzeggingen van mensen geweest, gebaseerd op hun persoonlijke analyses van gebeurtenissen of tendensen.

De betekenis van sommige profetieën was duidelijk, en er bestond dan ook geen noodzaak ze uit te leggen, zoals bijvoorbeeld toen de profeet moest voorzeggen dat de Judeeërs ’de koning van Babylon 70 jaar als gevangenen zouden dienen’ of dat Babylon ’een verlaten woestenij’ zou worden. Natuurlijk was niet altijd bekend wanneer een profetie in vervulling zou gaan, maar in sommige gevallen werd ook dat uitdrukkelijk gezegd. Veel profetieën of bijzondere aspecten daarvan werden echter slechts gedeeltelijk begrepen ten tijde dat ze geuit werden; Gods bestemde tijd moest worden afgewacht waarin ze volledig begrepen of uitgelegd zouden worden. Dit gold voor sommige profetieën van Daniël, alsook voor profetieën met betrekking tot de Messias en het „heilige geheim” aangaande hem. — Dan. 12:4, 8-10; 1 Petr. 1:10-12.

De magie-beoefenende priesters en de wijzen van Egypte waren geen van allen in staat de van God afkomstige dromen van Farao uit te leggen. „Er was niemand die ze voor Farao kon uitleggen” (Gen. 41:1-8). Vervolgens werd Farao erop attent gemaakt dat Jozef de dromen van Farao’s overste der schenkers en overste der bakkers juist had uitgelegd (Gen. 40:5-22; 41:9-13). Jozef had in dat verband echter niet de eer voor zichzelf opgeëist, maar hij had hun aandacht op Jehovah gevestigd als de Uitlegger van dromen door te zeggen: „Zijn uitleggingen niet een zaak van God?” (Gen. 40:8) Ook toen Jozef voor Farao werd geroepen om de droom van de koning uit te leggen, zei hij: „Ik hoef niet in aanmerking genomen te worden! God zal Farao welzijn aankondigen” (Gen. 41:14-16). Nadat Farao de uitlegging had gehoord, gaf zelfs hij toe dat „de geest van God” in Jozef was, aangezien „God u [Jozef] dit alles heeft doen weten”. — Gen. 41:38, 39.

Insgelijks werd Daniël door God gebruikt om de uitlegging van Nebukadnezars dromen bekend te maken. Nadat Daniël eerst tot God had gebeden om het geheim te begrijpen en hij in een nachtvisioen het antwoord had ontvangen, werd hij voor de koning gebracht om de droom, die de koning vergeten was, in diens herinnering terug te brengen en vervolgens de uitlegging te verschaffen (Dan. 2:14-26). Bij wijze van inleiding herinnerde Daniël de koning eraan dat niemand van zijn wijzen, bezweerders, magie-beoefenende priesters en astrologen in staat was de droom uit te leggen. „Nochtans”, vervolgde Daniël, „bestaat er een God in de hemel die een Onthuller van geheimen is, . . . wat mij aangaat, niet door enige wijsheid die in mij is meer dan in enige andere levenden, wordt dit geheim aan mij geopenbaard, behalve met de bedoeling dat de uitlegging aan de koning zelf bekendgemaakt mag worden.” — Dan. 2:27-30.

Bij een andere gelegenheid, toen de magie-beoefenende priesters, bezweerders, Chaldeeën en astrologen geen van allen in staat waren de droom van de koning betreffende de grote boom die werd omgehakt, uit te leggen, werd Daniël er opnieuw bij geroepen. Ook in dit geval werd beklemtoond dat de profetie van God afkomstig was. In feitelijke erkenning hiervan zei de koning tot Daniël: „Ikzelf weet heel goed dat de geest van de heilige goden in u is” en: „Gij zijt bekwaam, omdat de geest van heilige goden in u is”. — Dan. 4:4-18, 24.

Jaren later, in de nacht waarin Babylon voor de Meden en Perzen viel, werd deze bejaarde dienstknecht van Jehovah, Daniël, opnieuw geroepen om een van God afkomstige boodschap aan een koning uit te leggen. Deze keer had een mysterieuze hand tijdens Belsazars feestmaal de woorden MENE, MENE, TEKEL, PARSIN op de wand van het paleis geschreven. Niemand van Babylons wijzen was in staat het raadselachtige schrift te ontcijferen. Toen herinnerde de koningin-moeder zich Daniël, „in wie de geest van heilige goden is” alsook „verlichting en inzicht en wijsheid gelijk de wijsheid van goden”. Daniël legde het schrift, dat in werkelijkheid een profetie was, uit en verheerlijkte Jehovah wederom als de God van ware profetieën. — Dan. 5:1, 5-28.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen