INSPIRATIE.
De apostel Paulus verklaarde in 2 Timotheüs 3:16: „De gehele Schrift is door God geïnspireerd.” De uitdrukking „door God geïnspireerd” is de vertaling van het samengestelde Griekse woord the·o·pneusʹtos, dat letterlijk „door God geademd” betekent.
Dit is de enige plaats waar deze Griekse uitdrukking in de bijbel voorkomt. Hierdoor wordt God duidelijk geïdentificeerd als de Bron en Voortbrenger van de Heilige Schrift, de bijbel. In de Hebreeuwse Geschriften vindt men in Psalm 33:6 een gedachte die overeenkomst vertoont met de gedachte dat de bijbel „door God geademd” is. Daar staat: „Door het woord van Jehovah werden de hemelen zelf gemaakt, en door de geest [of adem] van zijn mond heel hun heerleger.”
WAT GODS GEEST TOT STAND BRENGT
Het middel of werktuig waardoor de inspiratie van de „gehele Schrift” tot stand is gekomen, is Gods heilige geest of zijn werkzame kracht. (Zie GEEST.) Deze heilige geest werd werkzaam ten aanzien van mannen om hen ertoe aan te zetten Gods boodschap neer te schrijven en hen erbij te leiden. Daarom zegt de apostel Petrus over bijbelse profetieën: „Want dit weet gij in de eerste plaats, dat geen profetie der Schrift door enige eigen uitlegging ontstaat. Want nooit werd profetie door de wil van een mens voortgebracht, maar mensen hebben van godswege gesproken zoals zij door heilige geest werden meegevoerd” (2 Petr. 1:20, 21). De feiten tonen dat dit voor de gehele bijbel geldt, aangezien Gods geest werkzaam was ten aanzien van het verstand en het hart van de schrijvers om hen tot het door God bestemde doel te brengen. Koning David zei: „De geest van Jehovah was het die door mij heeft gesproken, en zijn woord was op mijn tong.” — 2 Sam. 23:2; vergelijk Mattheüs 22:43.
Net zoals Jehovah’s geest mannen ertoe aanzette of bekwaam maakte om andere goddelijke opdrachten te vervullen — bijvoorbeeld priesterklederen en benodigdheden voor de tabernakel te vervaardigen (Ex. 28:3; 35:30-35), bestuurlijke plichten te vervullen (Deut. 34:9), of strijdkrachten aan te voeren (Recht. 3:9, 10; 6:33, 34) — zo heeft hij ook mannen in staat gesteld om de bijbel te schrijven. Door middel van die geest kon hun wijsheid, verstand, kennis, raad, en kracht die datgene wat normaal was te boven ging, worden gegeven in precies de mate waarin zij die nodig hadden (Jes. 11:2; Micha 3:8; 1 Kor. 12:7, 8). Jezus gaf zijn apostelen de verzekering dat Gods geest hen zou helpen, onderwijzen en leiden, en hun alles wat zij van hem gehoord hadden in herinnering zou brengen, alsook toekomstige dingen zou onthullen (Joh. 14:26; 16:13). Dit vormde een waarborg voor de waarheidsgetrouwheid en de nauwkeurigheid van hun evangelieverslagen, met inbegrip van veel lange citaten van Jezus’ toespraken, ook al werd bijvoorbeeld het Evangelie van Johannes tientallen jaren na Jezus’ dood opgetekend.
Geleid door „de hand van Jehovah”
De bijbelschrijvers bevonden zich derhalve onder Jehovah’s „hand”, of leidende en besturende kracht (2 Kon. 3:15, 16; Ezech. 3:14, 22). Zoals Jehovah’s „hand” zijn dienstknechten ertoe kon brengen te spreken of hun op bepaalde momenten het zwijgen kon opleggen (Ezech. 3:4, 26, 27; 33:22), kon die hand hen ook tot schrijven aanzetten of beletten te schrijven; zijn hand kon de schrijver ertoe brengen bepaalde dingen in zijn verslag op te nemen of andere dingen eruit weg te laten. Het eindprodukt viel altijd zo uit als Jehovah het wilde hebben.
METHODEN WAARVAN GOD ZICH IN VERBAND MET HET SCHRIJVEN VAN DE BIJBEL HEEFT BEDIEND
Volgens de apostel Paulus heeft God in voorchristelijke tijden „op vele wijzen” tot zijn dienstknechten gesproken (Hebr. 1:1, 2). Op zijn minst eenmaal — in het geval van de Tien Geboden of Decaloog — heeft God de inlichtingen in geschreven vorm overgedragen, zodat ze alleen maar op boekrollen of ander materiaal dat Mozes gebruikte, overgeschreven behoefden te worden (Ex. 31:18; Deut. 10:1-5). In andere gevallen werden de inlichtingen woord voor woord gedicteerd. Toen Jehovah Mozes de omvangrijke verzameling wetten en inzettingen van zijn met Israël gesloten verbond meedeelde, zei hij tot hem: „Schrijf u deze woorden op” (Ex. 34:27). Ook de profeten ontvingen vaak specifieke boodschappen die zij moesten overbrengen, en deze werden vervolgens opgetekend en maken thans deel uit van de bijbel. — 1 Kon. 22:14; Jer. 1:7; 2:1; 11:1-5; Ezech. 3:4; 11:5.
Andere methoden om bijbelschrijvers over iets in te lichten, waren dromen en visioenen. Dromen, of „nachtvisioenen”, zoals ze soms werden genoemd, brachten kennelijk een beeld van Gods boodschap of voornemen in de geest van de slapende persoon over (Dan. 2:19; 7:1). Visioenen die iemand ontving terwijl hij bij zijn volle bewustzijn was, waren een nog vaker gebruikt middel om Gods gedachten aan de geest van de schrijver mee te delen, waarbij de openbaring in beelden in zijn geest werd gegrift (Ezech. 1:1; Dan. 8:1; Openb. 9:17). Soms ontving iemand een visioen nadat hij in trance was geraakt. Hoewel de persoon bij bewustzijn was, werd hij blijkbaar zo geboeid door het visioen dat hij gedurende de trance ontving, dat hij alles om zich heen vergat. — Hand. 10:9-17; 11:5-10; 22:17-21; zie VISIOEN.
Bij veel gelegenheden gebruikte God engelen om zijn boodschappen over te brengen (Hebr. 2:2). Deze boodschappers speelden een grotere rol in het overbrengen van inlichtingen dan men vaak zou denken. Zo wordt er weliswaar gezegd dat God met Mozes sprak toen Hij hem de Wet gaf, maar zowel Stefanus als Paulus tonen aan dat God die verzameling wetten door bemiddeling van engelen overbracht (Hand. 7:53; Gal. 3:19). Aangezien de engelen in Jehovah’s naam spraken, kon de boodschap die zij overbrachten het „woord van Jehovah” worden genoemd. — Gen. 22:11, 12, 15-18; Zach. 1:7, 9.
Ongeacht hoe de boodschappen werden overgedragen, alle delen van de Schrift zijn van dezelfde kwaliteit, aangezien ze alle zijn geïnspireerd of „door God geademd”.
HET AANDEEL VAN DE SCHRIJVER IN HET VERVAARDIGEN VAN DE SCHRIFT
De feiten tonen echter dat de mannen die door God werden gebruikt om de bijbel te schrijven, geen robots waren, die alleen maar optekenden wat hun werd gedicteerd. Wij lezen over de apostel Johannes dat de „door God geademde” Openbaring hem door Gods engel „in tekenen” werd gegeven en dat Johannes vervolgens „getuigenis heeft afgelegd van het woord dat God heeft gegeven en van het getuigenis dat Jezus Christus heeft gegeven, ja, van alle dingen die hij gezien heeft” (Openb. 1:1, 2). „Door inspiratie [letterlijk: „in de geest”]” geraakte Johannes „in de dag des Heren”, en er werd hem gezegd: „Schrijf wat gij ziet in een boekrol” (Openb. 1:10, 11). Het heeft God dus klaarblijkelijk goedgedacht de bijbelschrijvers toe te staan hun mentale vermogens te gebruiken bij de keuze van woorden en uitdrukkingen om de visioenen die zij zagen, te beschrijven (Hab. 2:2), hoewel hij altijd voldoende controle en leiding over hen uitoefende, zodat het eindprodukt niet alleen nauwkeurig en waarheidsgetrouw was, maar ook aan Jehovah’s voornemen beantwoordde (Spr. 30:5, 6). Dat er een persoonlijke krachtsinspanning van de zijde van de schrijver bij betrokken was, blijkt uit Prediker 12:9, 10, waar wordt gesproken over ’diep nadenken’, een „grondig onderzoek” instellen en ’welgeordend samenstellen’, teneinde ’verrukkelijke woorden en juiste woorden van waarheid te schrijven’. — Vergelijk Lukas 1:1-4.
Dit vormt ongetwijfeld de verklaring voor de verschillende schrijfstijlen van de bijbelboeken, alsook voor het gebruik van uitdrukkingen die klaarblijkelijk licht werpen op de achtergrond van de desbetreffende schrijver. God heeft wellicht de natuurlijke bekwaamheden van de schrijvers in aanmerking genomen toen hij hen voor hun bijzondere toewijzing uitkoos; misschien bereidde hij hen zelfs eerst daarop voor.
Zelfs wanneer de schrijver erover spreekt dat hij het „woord van Jehovah” of een bepaalde „uitspraak” ontving, geschiedde de overdracht wellicht niet woord voor woord, maar doordat God in de geest van de schrijver een beeld van zijn voornemen plantte, een beeld dat de schrijver vervolgens in woorden tot uitdrukking bracht. Dit verklaart misschien waarom de schrijvers soms spreken over het ’zien’ (in plaats van ’horen’) van de „uitspraak” of „het woord van Jehovah”. — Jes. 13:1; Micha 1:1; Hab. 1:1; 2:1, 2.
De mannen die werden gebruikt om de bijbel te schrijven, werkten derhalve samen met de wijze waarop Jehovah’s heilige geest werkzaam was. Zij onderwierpen zich bereidwillig aan Gods leiding (Jes. 50:4, 5), en deden moeite om Gods wil en leiding te leren kennen (Jes. 26:9). In veel gevallen hadden zij een bepaald doel in gedachten (Luk. 1:1-4) of reageerden zij op een duidelijke behoefte (1 Kor. 1:10, 11; 5:1; 7:1), en God leidde hen zo, dat hetgeen zij opschreven, in overeenstemming was met zijn voornemen en dit vervulde. — Spr. 16:9.
Hieruit blijkt dat de heilige geest op diverse manieren ten aanzien van deze bijbelschrijvers werkzaam was, zodat er inderdaad over „een verscheidenheid van werkingen” gesproken kon worden (1 Kor. 12:6). Op een groot deel van de inlichtingen konden zij menselijk gesproken de hand leggen, soms doordat ze reeds in schriftelijke vorm beschikbaar waren, zoals geslachtsregisters en bepaalde historische verslagen (Luk. 1:3; 3:23-38; Num. 21:14, 15; 1 Kon. 14:19, 29; 2 Kon. 15:31; 24:5). In deze gevallen was Gods geest werkzaam om te verhinderen dat er onnauwkeurigheden of fouten in het Goddelijke Bericht slopen, en tevens om de keuze van de stof die erin werd opgenomen, te leiden. Daarentegen was het menselijk gesproken niet mogelijk aan inlichtingen te komen omtrent de voormenselijke geschiedenis van de aarde (Gen. 1:1-26), of omtrent de gebeurtenissen en activiteiten in de hemel (Job 1:6-12 en andere teksten), alsook omtrent profetieën en openbaringen van Gods voornemens en van bepaalde leerstellingen. Deze moesten op bovennatuurlijke wijze door Gods geest worden overgebracht. Wat wijze spreuken en goede raadgevingen betreft, alhoewel de schrijver veel uit eigen ervaring in het leven, en nog meer door studie en toepassing van reeds opgetekende gedeelten van de Schrift geleerd kan hebben, was toch de werking van Gods geest nodig, die ervoor moest zorgen dat de inlichtingen geschikt zouden zijn om een deel van het Woord van God te vormen, dat ’levend is en kracht uitoefent en gedachten en bedoelingen van het hart kan onderscheiden’. — Hebr. 4:12.
Een voorbeeld hiervan vormen de woorden van de apostel Paulus in zijn eerste brief aan de Korinthiërs. Wanneer hij raad geeft over het huwelijk en over de ongehuwde staat zegt hij op een bepaalde plaats: „Tot de anderen zeg ik echter, ja ik, niet de Heer . . . ” En vervolgens: „Aangaande maagden nu heb ik geen bevel van de Heer, maar ik geef mijn mening.” En ten slotte schrijft hij met betrekking tot een weduwe: „Maar naar mijn mening is zij gelukkiger indien zij blijft zoals zij is. Ik denk stellig dat ik ook Gods geest bezit” (1 Kor. 7:12, 25, 40). Paulus wilde blijkbaar zeggen dat hij bij bepaalde kwesties niet rechtstreeks kon teruggrijpen op wat de Heer Jezus had geleerd. Daarom gaf hij als een met Gods geest vervulde apostel zijn persoonlijke mening. Zijn raad was echter „door God geademd” en werd derhalve een deel van de Heilige Schrift dat evenveel autoriteit bezit als de rest van de bijbel.
Er bestaat een duidelijk onderscheid tussen de geïnspireerde geschriften van de bijbel en andere geschriften, die, hoewel ze tot op zekere hoogte de leiding van Gods geest weerspiegelen, toch niet tot de boeken van de Heilige Schrift worden gerekend. Zoals reeds getoond, bestonden er buiten de canonieke boeken van de Hebreeuwse Geschriften nog andere geschriften — zoals officiële verslagen betreffende de koningen van Juda en Israël — die in veel gevallen wellicht zijn opgetekend door mannen die God toegewijd waren. Ze werden zelfs door geïnspireerde bijbelschrijvers als naslagwerk gebruikt, ook in apostolische tijden. Behalve de brieven die in de canon van de bijbel zijn opgenomen, hebben de apostelen en oudere mannen ongetwijfeld in de loop der jaren nog veel meer brieven aan de talrijke gemeenten geschreven. Hoewel de schrijvers door de heilige geest werden geleid, heeft God geen van deze andere brieven bezegeld met het onderscheidende kenmerk van zijn onfeilbare Woord. De Hebreeuwse niet-canonieke geschriften bevatten wellicht enkele vergissingen, en zelfs de niet-canonieke geschriften van de apostelen kunnen in zekere mate het onvolledige begrip hebben weerspiegeld dat de christelijke gemeente in die eerste jaren nog had. (Vergelijk Handelingen 15:1-32; Galaten 2:11-14; Efeziërs 4:11-16.) Maar juist zoals God bepaalde christenen door zijn geest of werkzame kracht de bekwaamheid verleende tot „het onderscheiden van geïnspireerde uitspraken”, kon hij ook het besturende lichaam van de christelijke gemeente leiding geven om te onderscheiden welke geïnspireerde geschriften in de canon van de Heilige Schrift opgenomen moesten worden en welke niet. — 1 Kor. 12:10.
DE HEILIGE SCHRIFT ALS GEÏNSPIREERD ERKEND
Uit de feiten blijkt duidelijk dat alle heilige geschriften die successievelijk aan de canon van de bijbel werden toegevoegd, door Gods dienstknechten, ook door Jezus en zijn apostelen, zonder uitzondering als geïnspireerd werden erkend. Met „inspiratie” wordt niet slechts het tot een hoger niveau verheffen van de denkprocessen en de gevoelens bedoeld, zodat men tot een verhoogde prestatie of emotionaliteit komt (zoals vaak van wereldse kunstenaars of dichters wordt gezegd), maar het vervaardigen van onfeilbare geschriften die even gezaghebbend zijn als waren ze door God zelf geschreven. Daarom gaven de profeten die een aandeel hadden aan het schrijven van de Hebreeuwse Geschriften, de eer voor hun boodschappen steeds aan God, door maar liefst meer dan 300 maal de uitdrukking te gebruiken: „Dit heeft Jehovah gezegd” (Jes. 37:33; Jer. 2:2; Nah. 1:12). Jezus en zijn apostelen deden vol vertrouwen aanhalingen uit de Hebreeuwse Geschriften, aangezien zij ze als Gods woord beschouwden dat door bemiddeling van de door God aangewezen schrijvers was gesproken en derhalve stellig in vervulling zou gaan, ja, dat in elke controverse de beslissende autoriteit was (Matth. 4:4-10; 19:3-6; Luk. 24:44-48; Joh. 13:18; Hand. 13:33-35; 1 Kor. 15:3, 4; 1 Petr. 1:16; 2:6-9). De Hebreeuwse Geschriften bevatten „de heilige uitspraken Gods” (Rom. 3:1, 2; Hebr. 5:12). Nadat Paulus in Hebreeën 1:1 heeft verklaard dat God bij monde van de profeten tot Israël sprak, doet hij vervolgens aanhalingen uit verschillende boeken van de Hebreeuwse Geschriften, waarbij hij de teksten zo onder woorden brengt als waren ze door Jehovah God zelf gesproken (Hebr. 1:5-13). Vergelijk soortgelijke verwijzingen naar de heilige geest in Handelingen 1:16; 28:25; Hebreeën 3:7; 10:15-17.
Jezus toonde zijn volledige vertrouwen in de onfeilbaarheid van de Heilige Schrift door te zeggen dat „de Schrift . . . niet krachteloos gemaakt kan worden” (Joh. 10:34, 35), en dat „hemel en aarde eerder zouden voorbijgaan dan dat ook maar één kleinste letter of één deeltje van een letter uit de Wet voorbijgaat en niet alles geschiedt” (Matth. 5:18). Tot de Sadduceeën zei hij met betrekking tot de opstanding: „Gij vergist u, omdat gij noch de Schriften noch de kracht Gods kent” (Matth. 22:29-32; Mark. 12:24). Hij was bereid zich te laten arresteren en zelfs de dood te ondergaan, omdat hij wist dat daardoor het geschreven Woord van God, de Heilige Schrift, in vervulling ging. — Matth. 26:54; Mark. 14:27, 49.
Deze uitspraken hebben natuurlijk betrekking op de voorchristelijke Hebreeuwse Geschriften. Maar ook de christelijke Griekse Geschriften werden klaarblijkelijk als geïnspireerd gepresenteerd en aanvaard (1 Kor. 14:37; Gal. 1:8, 11, 12; 1 Thess. 2:13). Derhalve stelde de apostel Petrus de brieven van Paulus op één lijn met de overige Schriften. — 2 Petr. 3:15, 16.
Aldus vormt de gehele verzameling heilige geschriften het verenigde, harmonieuze geschreven Woord van God (Ef. 6:17). Alle delen zijn even gezaghebbend, aangezien ze alle geïnspireerd en vrij van vergissingen zijn. Zoals reeds is getoond, leidde de specifieke werkzaamheid van Gods geest in de verschillende gevallen niet tot „graden” van inspiratie. Daarom is de uitdrukking „plenaire” of „volledige” inspiratie op de gehele bijbel van toepassing en niet slechts op bepaalde delen ervan, zoals sommige geleerden aannemen.
DE GEZAGHEBBENDHEID VAN HANDSCHRIFTEN EN VERTALINGEN
Aan het geschreven Woord van God moet dus absolute onfeilbaarheid worden toegekend. Dit geldt voor de oorspronkelijke geschriften, waarvan er thans, voor zover bekend, niet één meer voorhanden is. Van de afschriften van deze oorspronkelijke geschriften en van de vertalingen in vele talen kan niet beweerd worden dat ze absoluut nauwkeurig zijn. Er zijn echter deugdelijke bewijzen en goede redenen om te geloven dat de beschikbare handschriften van de Heilige Schrift bijna foutloze afschriften van het geschreven Woord van God zijn, terwijl de punten waarover twijfel bestaat, van weinig belang zijn voor de betekenis van de boodschap. Het voornemen dat God met het vervaardigen van de Heilige Schrift had, en de geïnspireerde verklaring: „Wat Jehovah zegt, blijft in eeuwigheid”, zijn een waarborg dat Jehovah God ervoor heeft gezorgd dat de onvervalste tekst van de Schrift door alle eeuwen heen onaangetast bewaard is gebleven. — 1 Petr. 1:25.
In een aantal gevallen hebben de schrijvers van de christelijke Griekse Geschriften klaarblijkelijk de Griekse Septuaginta-vertaling gebruikt wanneer zij aanhalingen deden uit de Hebreeuwse Geschriften. Soms wijkt de door hen uit de Septuaginta aangehaalde tekst enigszins van de thans bekende Hebreeuwse tekst af (de meeste vertalingen zijn tegenwoordig gebaseerd op de Hebreeuwse masoretische tekst uit de 10de eeuw G.T.). Een voorbeeld hiervan zijn de woorden die Paulus uit Psalm 40:6 aanhaalt: „Maar gij hebt mij een lichaam bereid.” Zo luiden deze woorden volgens de Septuaginta (Hebr. 10:5, 6). In de thans beschikbare Hebreeuwse handschriften van Psalm 40:6 luiden ze daarentegen: „Deze oren van mij hebt gij geopend.” Of de oorspronkelijke Hebreeuwse tekst de woorden bevatten die in de Septuaginta staan, kan niet met zekerheid worden gezegd. Hoe het ook zij, Paulus citeerde ze onder leiding van Gods geest en derhalve worden ze door God bekrachtigd. Dit betekent niet dat de gehele Septuaginta-vertaling als geïnspireerd moet worden beschouwd; maar de door de geïnspireerde christelijke schrijvers aangehaalde teksten zijn wel degelijk een integrerend deel van Gods Woord geworden.
Enkele door Paulus en anderen aangehaalde teksten wijken zowel van de Hebreeuwse als van de Griekse tekst in de thans beschikbare handschriften af. De verschillen zijn echter gering en bij nader onderzoek blijken ze teruggevoerd te kunnen worden op parafrase, samenvatting, het gebruik van synonieme uitdrukkingen of het toevoegen van verklarende woorden of uitdrukkingen. In Genesis 2:7 staat bijvoorbeeld: „De mens werd een levende ziel”, terwijl Paulus, die deze schriftplaats aanhaalt, zegt: „Zo staat er ook geschreven: ’De eerste mens, Adam, werd een levende ziel’” (1 Kor. 15:45). Door toevoeging van de woorden „eerste” en „Adam” beklemtoonde Paulus het onderscheid dat hij tussen Adam en Christus maakte. De invoeging was volledig in overeenstemming met de in de Schrift opgetekende feiten en verdraaide in geen enkel opzicht de betekenis of de inhoud van de aangehaalde tekst. Degenen aan wie Paulus schreef, bezaten afschriften (of vertalingen) van de Hebreeuwse Geschriften die ouder waren dan de handschriften welke wij thans hebben, en zij konden derhalve zijn aanhalingen opzoeken, zoals de Bereeërs dit deden (Hand. 17:10, 11). Het feit dat de christelijke gemeente uit de eerste eeuw de desbetreffende geschriften in de canon van de Heilige Schrift opnam, bewijst dat ze zulke aanhalingen als een deel van het geïnspireerde Woord van God aanvaardde. — Vergelijk ook Zacharia 13:7 met Mattheüs 26:31.
WARE EN VALSE „GEÏNSPIREERDE UITINGEN”
Het Griekse woord pneuʹma („geest”) wordt in enkele apostolische geschriften op een speciale manier gebruikt. In 2 Thessalonicenzen 2:2 bijvoorbeeld vermaant de apostel Paulus zijn broeders in Thessalonika om niet opgewonden te raken of hun denken in de war te laten brengen „hetzij door middel van een geïnspireerde uiting [letterlijk: „geest”] of door middel van een mondelinge boodschap of door middel van een brief die van ons afkomstig zou zijn, hierop neerkomend, dat de dag van Jehovah reeds is aangebroken”. Het is duidelijk dat Paulus het woord pneuʹma (geest) gebruikt in verband met communicatiemiddelen zoals een „mondelinge boodschap” of een „brief”. Derhalve geeft de Critical Doctrinal and Homiletical Commentary door Schaff-Lange het volgende commentaar op deze tekst: „Hiermee bedoelt de Apostel een geestelijke ingeving, zogenaamde voorzegging, uiting van een profeet . . . ” Vincents Word Studies in the New Testament (Deel IV, blz. 63) zegt: „Door geest — Door profetische uitingen van personen in christelijke vergaderingen, die zich op het gezag van goddelijke openbaringen beroepen.” Terwijl het woord pneuʹma in sommige vertalingen zowel in dit geval als in andere gevallen dus eenvoudig met „geest” wordt weergegeven, geven andere vertalingen het met „geestesuiting” (NBG), „voorzegging” (JB), „inspiratie” (D’Ostervald; Segond [Frans]), „geïnspireerde uiting” (NW) weer.
Paulus’ woorden maken duidelijk dat er zowel ware als valse „geïnspireerde uitingen” zijn. In 1 Timotheüs 4:1 verwijst hij naar beide soorten, wanneer hij zegt: „De geïnspireerde uitspraak [van Jehovah’s heilige geest] zegt . . . uitdrukkelijk dat in latere tijdsperiodes sommigen zullen afvallen van het geloof, omdat zij aandacht schenken aan misleidende geïnspireerde uitspraken en leringen van demonen.” De demonen zijn derhalve de bron van de valse „geïnspireerde uitspraken”. Dit wordt bevestigd door het visioen dat de apostel Johannes ontving en waarin hij „drie onreine geïnspireerde uitingen” zag, die er uitzagen als kikvorsen en uit de bek van de draak en uit de bek van het wilde beest en uit de mond van de valse profeet kwamen. Van deze uitingen zegt hij nadrukkelijk dat ze „door demonen geïnspireerd” zijn en dat ze de koningen der aarde vergaderen tot de oorlog van Har–Magedon. — Openb. 16:13-16.
Niet voor niets drong Johannes er dus bij christenen op aan: „Beproeft de geïnspireerde uitingen om te zien of ze uit God voortspruiten” (1 Joh. 4:1-3; vergelijk Openbaring 22:6). Vervolgens toonde hij dat de ware, door God geïnspireerde uitingen via de ware christelijke gemeente komen en niet uit onchristelijke, wereldse bronnen afkomstig zijn. Johannes’ woorden waren natuurlijk door Jehovah God geïnspireerd, maar zelfs afgezien daarvan vormde zijn brief een degelijke basis voor de vrijmoedige verklaring: „Wie de kennis van God verwerft, luistert naar ons; wie niet uit God voortspruit, luistert niet naar ons. Op deze wijze onderkennen wij de geïnspireerde uiting van waarheid en de geïnspireerde uiting van dwaling” (1 Joh. 4:6). Johannes deed daarmee niet louter een dogmatische bewering, maar hij had aangetoond dat hij en andere ware christenen de vruchten van Gods geest, vooral liefde, tentoonspreidden en door een juist gedrag en waarheidsgetrouwe spraak bewezen dat zij inderdaad in eendracht met God ’in het licht wandelden’. — 1 Joh. 1:5-7; 2:3-6, 9-11, 15-17, 29; 3:1, 2, 6, 9-18, 23, 24; vergelijk Titus 1:16.