HENNA.
Het Hebreeuwse woord koʹfer beschouwt men over het algemeen als aanduiding van de hennaplant, en daarom wordt het in vele bijbelvertalingen dienovereenkomstig weergegeven. Deze struik, die alleen in Het Hooglied wordt genoemd (1:14; 4:13; 7:11), groeit in Palestina nog steeds in het wild. Gewoonlijk wordt de hennaplant maximaal ongeveer 3 m hoog, en aan de uiteinden van de takken bevinden zich trossen kleine, roomkleurige, vierbladige bloemen, waarvan de sterke geur bij volken in het Midden-Oosten zeer geliefd is. Aan boeketten worden vaak kleine hennatakjes toegevoegd, en vrouwen dragen ze in hun haar of op hun boezem.
Al sinds oude tijden wordt henna als schoonheidsmiddel gebruikt. Van de tot poeder vermalen bladeren, die men met heet water vermengt, wordt een pasta gemaakt. Deze pasta wordt vervolgens op het lichaamsdeel gesmeerd dat men wil verven, en men laat de pasta dan een nacht zitten. Na het afwassen van de hennapasta blijft er een oranje of roodachtige kleur achter, die ongeveer drie weken blijft, waarna de pasta opnieuw aangebracht moet worden. Men gebruikte henna voor het verven van vinger- en teennagels, vingertoppen, handen en voeten, baard en hoofdhaar, en zelfs de manen en de staart van paarden, alsook huiden en leer. Vondsten van Egyptische mummies met geverfde vingernagels bevestigen dat henna in de oudheid voor dit doel werd gebruikt. Ook heeft men de betekenis van het Hebreeuwse wortelwoord waarvan koʹfer waarschijnlijk is afgeleid, gedefinieerd als „besmeren”, wat op het gebruik van henna als verfstof schijnt te wijzen.
[Illustratie op blz. 608]
Een tak van de hennastruik; rechts een blik van nabij op zijn vierbladige bloemen