HALLELUJAH
(Hallelu̱jah) [looft Jah!].
Een translitteratie van de Hebreeuwse uitdrukking ha·leloe-Jahʹ, die in Psalm 104:35 voor het eerst voorkomt. In de Nieuwe-Wereldvertaling wordt ze bijna altijd met „Looft Jah!” vertaald. In Psalm 135 komt de uitdrukking ha·leloe-Jahʹ in vers 3 voor, maar in bepaalde Psalmen komt ze aan het begin of aan het eind of ook wel aan het begin èn aan het eind voor. (Zie Psalm 112:1; 115:18; 146:1, 10; 147:1, 20; 148:1, 14; 149:1, 9; 150:1, 6.) Ze staat aan het einde van het vierde boek der Psalmen na het woord „Amen” (Ps. 106:48). In Openbaring 19:1-6, waar sprake is van de vreugde over de vernietiging van Babylon de Grote en over het feit dat Jehovah als Koning is gaan regeren, komt een Griekse vorm van de uitdrukking viermaal voor. — Zie JAH.