GERSONIETEN
(Gersoni̱e̱ten).
De nakomelingen van Gerson of Gersom, de eerste van de drie met name genoemde zonen van Levi, via zijn twee zonen Libni en Simeï (1 Kron. 6:1, 16, 17). De Gersonieten vormden een van de drie grote afdelingen van de levieten. Bij de eerste telling in de wildernis bedroeg hun aantal 7500 mannelijke personen van een maand oud en daarboven. Het aantal mannelijke personen van 30 tot 50 jaar die in de tabernakel dienst verrichtten, bedroeg 2630 (Num. 3:21, 22; 4:38-41). De dienst van de Gersonieten in de wildernis omvatte de zorg voor de tentkleden van de tabernakel en voor de tent der samenkomst, de afscherming voor de ingang van de tent der samenkomst, de draperieën van het voorhof en de afscherming voor de ingang van het voorhof (Num. 3:23-26; 4:21-28). In de wildernis waren zij aan de westzijde van de tabernakel gelegerd. Achter hen, op een bepaalde afstand van de tabernakel, legerde de drie-stammenafdeling van Efraïm (Num. 3:23; 2:18). Van de zes overdekte wagens en de twaalf stieren die de oversten van Israël voor de tabernakeldienst aanboden, gaf Mozes twee wagens en vier stieren aan de zonen van Gerson (Num. 7:1-7). Wanneer het kamp opbrak, marcheerden de Gersonieten samen met de Merarieten tussen de voorste drie-stammenafdeling van Juda en de drie-stammenafdeling van Ruben. — Num. 10:14-20.
De Gersonieten kregen in het gebied van Manasse, Issaschar, Aser en Naftali 13 steden met hun weidegronden toebedeeld. Twee van deze steden, Kedes in Galilea en Golan in Basan, behoorden tot de zes toevluchtssteden van de natie (Joz. 21:27-33). Toen David de levieten reorganiseerde, werden sommige Gersonieten belast met de verantwoordelijkheid voor de zang en de schatten van het huis van Jehovah, alsook met andere taken (1 Kron. 6:31, 32, 39-43; 23:4-11; 26:21, 22). Onder de levieten die in de dagen van koning Hizkia aan de reiniging van de tempel deelnamen, bevonden zich ook Gersonieten. — 2 Kron. 29:12-17.