POORT.
De bijbel spreekt over verschillende soorten poorten: (1) poort van de legerplaats (Ex. 32:26, 27), (2) poort van de stad (Jer. 37:13), (3) poort van het voorhof van de tabernakel (Ex. 38:18), (4) „poorten van de Burcht die bij het huis behoort” (Neh. 2:8), (5) tempelpoorten (Hand. 3:10) en (6) poort van een huis. — Hand. 12:13, 14.
BOUW
Steden hadden gewoonlijk zo min mogelijk poorten, aangezien ze de zwakke plekken van hun vestingwerken vormden; sommige steden hadden maar één poort. Wanneer een stad door een binnenste en een buitenste muur was omgeven, zaten er logischerwijs poorten in elke muur. De vroege poorten waren L-vormig gebouwd om het binnendringen van de vijand te belemmeren. Later, nadat de strijdwagen was geïntroduceerd (omstreeks de 18de eeuw v.G.T.), hadden stadspoorten een rechte, directe ingang. Bij enkele blootgelegde ruïnes bestaat de stadspoort uit een door rechthoekige torens geflankeerde ingang die naar een 15 tot 20 m lang portaal voert. Aan weerszijden van het portaal bevonden zich tegenover elkaar drie pilasters, die de doorgang vernauwden. In enkele gevallen kunnen deze diepe poorten wel twee of drie series deuren gehad hebben. Kleine kamers binnen de muren van het portaal werden als wachtlokalen gebruikt. De poorten in Ezechiëls visionaire tempel hadden wachtlokalen (Ezech. 40:6, 7, 10, 20, 21, 28, 29, 32-36). Sommige poorten hadden een overdekt portaal en sommige hadden meerdere verdiepingen, zoals blijkt uit de trappen die in poorten gevonden zijn. — Vergelijk 2 Samuël 18:24, 33.
Bij opgravingen van oude versterkte steden kwamen kleine zijdeuren of zijpoorten voor de dag. Deze bevonden zich soms onder aan de beschermwal en maakten het de stadsbewoners mogelijk in vredestijd gemakkelijk de stad binnen te komen. In tijden van belegering werden ze blijkbaar gebruikt als uitvalspoorten, waaruit de verdedigers naar buiten konden stormen en de belegeraars konden aanvallen, terwijl hun kameraden op de muren hun dekking boden.
De deuren van de stadspoorten waren gewoonlijk van hout, dat met metaal bekleed was; anders konden ze door de vijand in brand gestoken worden. Enkele waren wellicht van ijzer gemaakt, zoals in de dagen van de apostelen het geval was (Hand. 12:10). Over Babylons poorten wordt gezegd dat ze koperen deuren en ijzeren grendels hadden (Jes. 45:2; vergelijk Psalm 107:2, 16). Sommige poorten werden klaarblijkelijk met houten grendels afgesloten (Nah. 3:13). In een aantal steden in Syrië zijn massieve stenen deuren gevonden, bestaande uit één enkele plaat steen van een paar centimeter dikte en zo’n 3 m hoog, die aan de boven- en onderkant op pennen draaide. Met het oog hierop leverde Simson geen geringe prestatie toen hij de deuren van de poort van Gaza, te zamen met de twee deurposten en de grendel, ophief en ze naar de top van „de berg die tegenover Hebron ligt”, droeg. Natuurlijk kon hij dit slechts door de activerende kracht van Jehovah’s geest. — Recht. 16:3.
FUNCTIE
De poorten waren centra voor openbare bijeenkomsten en het openbare leven. Gewoonlijk werd er dicht bij de poort een groot plein aangelegd, zoals het openbare plein vóór de Waterpoort in Jeruzalem (Neh. 8:1). Bij de ingang van de poort van Samaria bevond zich een dorsvloer (1 Kon. 22:10). De poorten waren de nieuwscentra van de stad, niet alleen omdat daar reizigers en kooplieden binnenkwamen, maar ook omdat bijna alle arbeiders, vooral degenen die op het land werkten, elke dag de poort in- en uitgingen. De poort was dus de aangewezen plaats om anderen te ontmoeten (Ruth 4:1; 2 Sam. 15:2). Bij de poorten bevonden zich ook de marktplaatsen, en enkele van de poorten van Jeruzalem waren kennelijk genoemd naar de produkten die daar verkocht werden (bijv. de Vispoort) (Neh. 3:3). Bij de stadspoorten werd door de oudere mannen van de stad recht gesproken. — Deut. 16:18; 21:18-20; 22:15; 25:7.
Degenen die volgens het oordeel van de rechters de dood verdienden, werden buiten de stadspoort gebracht om terechtgesteld te worden (1 Kon. 21:10-13; Hand. 7:58). De kadavers van de offerdieren die op de Verzoendag ter verzoening van de zonden werden geofferd, werden buiten de stad gebracht en verbrand (Lev. 16:27, 28). Vandaar dat Jezus Christus, het zoenoffer voor de zonden der mensheid, buiten de poort van Jeruzalem ter dood gebracht werd. — Hebr. 13:11, 12.
POORTEN VAN JERUZALEM
Bij een beschouwing van de poorten van Jeruzalem doet men er goed aan in gedachte te houden dat de stad na de verovering door David een verdere ontwikkeling doormaakte en zich uitbreidde, zodat er verscheidene muren werden gebouwd of delen van muren werden toegevoegd. Wij zullen ons hier voornamelijk bezighouden met de poorten die in het boek Nehemia worden genoemd, omdat wij in dat boek de meest volledige beschrijving of opsomming aantreffen. De in Nehemia’s verslag genoemde poorten bevonden zich in de muur die vóór de 8ste eeuw v.G.T. gebouwd werd en in de muur rondom het „tweede stadsgedeelte” (2 Kon. 22:14; 2 Kron. 34:22; Zef. 1:10). Het „tweede stadsgedeelte” was het stadsdeel dat in het W. en een deel van het N. begrensd werd door Hizkia’s muur (2 Kron. 32:5), die aansloot op Manasses muur, welke naar het N.O. en O. doorliep (2 Kron. 33:14). Dit stadsgedeelte lag ten N. van de vroegere stad en haar muur, maar reikte in het W. blijkbaar niet tot aan de vroegere muur. — Zie plattegrond op blz. 1254.
Schaapspoort
De Schaapspoort werd herbouwd door de hogepriester Eljasib en andere priesters (Neh. 3:1, 32; 12:39). Hieruit kan men opmaken dat deze poort dicht bij het tempelterrein lag. Waarschijnlijk bevond ze zich in de noordelijke muur van het tweede stadsgedeelte, het deel van de muur dat door Manasse was gebouwd (zie hieronder bij „Vispoort”), op of dicht bij de noordoosthoek van de stad. Deze poort werd wellicht zo genoemd omdat er schapen en geiten doorheen gevoerd werden die geofferd of naar een nabijgelegen markt gebracht moesten worden. De in Johannes 5:2 genoemde „schaapspoort” is waarschijnlijk deze Schaapspoort of een latere poort die ermee overeenkwam, want ze lag in dezelfde omgeving, dicht bij het waterbekken Bethzatha.
Vispoort
Hizkia bouwde klaarblijkelijk het deel van de muur dat het tweede stadsgedeelte aan de westzijde omsloot en zich tot aan de Vispoort uitstrekte, terwijl de door Manasse gebouwde muur vanaf de Vispoort verder liep tot de Stad van David (2 Kron. 32:5; 33:14). Volgens Nehemia’s verslag over de herbouw en de inwijdingsoptocht lag de Vispoort ten W. van de Schaapspoort, kennelijk in de noordelijke muur van het „tweede stadsgedeelte”, misschien ten W. van de „burcht” en dicht bij het noordelijke einde van het Tyropeondal (Neh. 3:3; 12:39). Ze wordt in Zefanja 1:10 samen met het tweede stadsgedeelte genoemd. Waarschijnlijk dankt ze haar naam aan de nabijgelegen vismarkt, waar de Tyriërs vis verkochten. — Neh. 13:16.
Poort van de Oude Stad
De Poort van de Oude Stad lag aan de noordwestzijde van de stad tussen de Vispoort en de Efraïmpoort (Neh. 3:6; 12:39). In het Hebreeuws wordt de poort eenvoudig „Poort van de Oude” genoemd; het woord „stad” is door enkele vertalers toegevoegd. Men veronderstelt dat de naam werd ontleend aan het feit dat ze de noordelijke hoofdingang van de oude stad was. Ze lag waarschijnlijk op het punt waar de Brede Muur (die de noordgrens van de oude stad vormde) samenkwam met het zuidelijke einde van de westelijke muur van het tweede stadsgedeelte.
Efraïmpoort
De Efraïmpoort bevond zich in de Brede Muur, 400 el (ca. 178 m) ten O. van de Hoekpoort (2 Kon. 14:13; 2 Kron. 25:23). Ze was een uitgang naar het N., in de richting van het gebied van Efraïm. Sommige onderzoekers hebben de Efraïmpoort ook wel vereenzelvigd met de Middenpoort (Jer. 39:3), andere met de Eerste Poort (Zach. 14:10). Men denkt dat ze de Gennath- of Tuinpoort is waarover de joodse geschiedschrijver Josephus spreekt (of daarmee overeenkomt). Dicht bij de Efraïmpoort bevond zich een openbaar plein, waarop het volk in Nehemia’s tijd loofhutten maakte voor de viering van het Loofhuttenfeest. — Neh. 8:16.
Hoekpoort
Deze poort lag kennelijk in de noordwestelijke hoek van de stadsmuur, 400 el (ca. 178 m) ten W. van de Efraïmpoort als men de Brede Muur volgde (2 Kon. 14:13; 2 Kron. 25:23). Ze bevond zich aan de oostzijde van het dal van Hinnom, klaarblijkelijk in de westelijke muur van de oude stad, op het punt waar deze met de Brede Muur samenkwam. Uzzia bouwde bij deze poort een toren; of dat al dan niet de Bakovenstoren is, wordt niet gezegd (2 Kron. 26:9). Zowel Jeremia als Zacharia schijnen te kennen te geven dat de Hoekpoort zich in de westhoek van de stad bevond (Jer. 31:38; Zach. 14:10). Sommigen zijn van mening dat de Hoekpoort dezelfde is als de Eerste Poort, doch de aanduiding in het boek Zacharia over de ligging ervan schijnt dit tegen te spreken, want Zacharia beschreef blijkbaar de oost-westgrens toen hij schreef „vanaf de Benjaminpoort helemaal tot aan de plaats van de Eerste Poort, helemaal tot aan de Hoekpoort”, en plaatste de Eerste Poort derhalve klaarblijkelijk ten O. van de Hoekpoort.
Dalpoort
Aan de zuidwestelijke hoek van de stadsmuur gaf de Dalpoort toegang tot het dal van Hinnom. De „Essenerpoort” waarvan Josephus melding maakt, bevond zich mogelijkerwijs op deze plaats of in de buurt ervan. Uzzia bouwde als onderdeel van zijn stadsversterkingsprogramma bij deze poort een toren (2 Kron. 26:9). Nehemia begon bij de Dalpoort zijn inspectie van de vervallen muur, reed vandaar oostwaarts door het Hinnomdal, vervolgens omhoog door het Kidrondal en keerde ten slotte door dezelfde poort weer in de stad terug. — Neh. 2:13-15.
Aspoort
Deze poort staat ook bekend als de Schervenpoort en wordt gewoonlijk de Mestpoort genoemd (Neh. 2:13; 12:31). Volgens Nehemia’s beschrijving schijnt ze 1000 el (ca. 444 m) ten O. van de Dalpoort gelegen te hebben (Neh. 3:13, 14). Ze vormde de zuidoostelijke hoek van de stadsmuur en gaf toegang tot het dal van Hinnom, dicht bij de plek waar dit dal met het Tyropeondal samenkwam (Jer. 19:2). Via deze poort bereikten de afgodenaanbidders die hun kinderen voor Baäl in het vuur verbrandden, het in het dal van Hinnom gelegen Tofeth (Jer. 19:5, 6). Jeremia leidde enige van de oudere mannen en van de priesters van Israël door deze poort naar buiten en kondigde rampspoed voor Jeruzalem aan door een aardenwerken pul te breken, teneinde te illustreren dat God het volk zou breken omdat zij andere goden dienden. — Jer. 19:1-3, 10, 11.
De naam „Schervenpoort” heeft ze mogelijkerwijs gekregen omdat men in de buurt ervan potscherven als afval weggegooide of omdat daar potscherven werden gemalen; van het aldus verkregen poeder maakte men cement voor het bepleisteren van regenbakken (zoals dat ook nog in deze tijd bij een waterbekken aan de zuidwestelijke hoek van de stad gebeurd is). Het kan ook zijn dat in de buurt van deze poort veel pottenbakkers hun beroep uitoefenden, want in het nabijgelegen Hinnomdal was klei voorhanden en aan de ingang van het Tyropeondal alsook bij de bron En-Rogel was water te vinden. — Vergelijk Jeremia 18:2; 19:1, 2.
Bronpoort
Deze poort werd zo genoemd omdat ze toegang gaf tot een nabijgelegen bron, misschien En-Rogel, gelegen ten Z. van het punt waar het Kidrondal en het Hinnomdal samenkomen. De Bronpoort bevond zich waarschijnlijk aan de zuidpunt van de oostelijke heuvel van de stad (d.w.z. aan het zuidelijke einde van de „Stad van David”) (Neh. 2:14; 3:15; 12:37). De inwoners van de Stad van David konden gemakkelijk via de Bronpoort de stad verlaten om naar En-Rogel te gaan, terwijl er via de iets ten Z.W. ervan gelegen Aspoort ook een weg naar En-Rogel voerde, die waarschijnlijk gunstiger was voor de bewoners van het Tyropeondal en de zuidwestelijke heuvel van de stad.
Waterpoort
Waarschijnlijk dankt deze poort haar naam aan het feit dat ze dicht bij de Gihonbron gelegen was, ongeveer halverwege de oostzijde van de stad, of daar althans op uitkwam. De poort bevond zich dicht bij de Ofel, niet ver van het tempelterrein (Neh. 3:26). Een van de groepen die aan de inwijdingsoptocht deelnamen, verliet bij de Waterpoort de muur en begaf zich vandaar naar de tempel, waar ze zich bij de andere groep voegde, blijkbaar zonder over het deel van de stadsmuur ten O. van de tempel gelopen te hebben (Neh. 12:37-40). Vóór de Waterpoort bevond zich een openbaar plein, waarop het gehele volk zich verzamelde om Ezra de Wet te horen voorlezen en waar zij naderhand loofhutten bouwden voor de viering van het Loofhuttenfeest. — Neh. 8:1-3, 16.
Paardenpoort
Het herstellingswerk boven de Paardenpoort werd verricht door de priesters, wat erop wijst dat deze poort in de buurt van de tempel lag (Neh. 3:28). Sommigen zijn van mening dat de Paardenpoort een verbinding tussen het tempelterrein en het paleisgebied was. Zij trekken die conclusie uit het verslag over Athalia’s terechtstelling, waarin wordt bericht dat Athalia, toen zij door de soldaten de tempel uit werd geleid, „bij de ingang van de paardenpoort van het huis van de koning kwam” (2 Kron. 23:15; 2 Kon. 11:16). Dit was echter waarschijnlijk alleen maar een ingang tot het terrein van het koninklijk paleis, en niet de Paardenpoort waardoor de paarden de stad zelf in- en uitgingen. Nehemia maakt in zijn beschrijving van de herbouw uitdrukkelijk melding van de Paardenpoort, waaruit blijkt dat ze een poort in de stadsmuur was. Vermoedelijk bevond ze zich dicht bij de zuidoostelijke hoek van het tempelterrein en het paleisgebied (Neh. 3:28). Volgens Jeremia moet er vlak bij deze poort in de muur een hoek geweest zijn, waarschijnlijk op de plek waar de muur, vanuit het Kidrondal gezien, naar links afboog om zo evenwijdig aan het dal te blijven lopen. — Jer. 31:40.
Inspectiepoort
Sommigen noemen de Inspectiepoort (Hebreeuws: ham-mif·qadhʹ) de Monsteringspoort (Neh. 3:31, Korte Verklaring der Heilige Schrift). In Ezechiël 43:21 wordt mif·qadhʹ (hetzelfde Hebreeuwse woord zonder het lidwoord ha) met „bestemde plaats” vertaald. Er wordt wel gedacht dat de Inspectiepoort dezelfde was als de Poort van de Wacht of de Benjaminpoort. Van deze mogelijkheden is de laatste, dat ze de Benjaminpoort was, de waarschijnlijkste.
Poort van de Wacht
De inwijdingsoptocht die in zuidoostelijke richting over de muur optrok, verliet bij deze poort de muur en begaf zich vandaar naar de tempel. — Neh. 12:39, 40.
Middenpoort
Toen de Babyloniërs een bres in de muur van Jeruzalem hadden geslagen, namen hun officieren plaats in de Middenpoort (Jer. 39:3). Zoals wij al eerder hebben gezien, zijn er wat de ligging van deze poort betreft verscheidene mogelijkheden geopperd. Naar alle waarschijnlijkheid is ze identiek met de Poort van de Oude Stad, aangezien deze poort zich op het punt bevond waar de Brede Muur, de noordelijke muur van de oude stad en de westelijke muur van het tweede stadsgedeelte samenkwamen en ze op een centrale plaats lag, vanwaar men een goed uitzicht had.
Benjaminpoort
Sommigen vereenzelvigen de Benjaminpoort met de Schaapspoort. Dit zou stroken met de omstandigheid dat Jeremia via deze poort de stad trachtte te verlaten om naar het gebied van Benjamin — klaarblijkelijk naar Anathoth, dat zich ten N.O. van Jeruzalem bevond — te gaan (Jer. 37:11-13). Zedekia zat in de Benjaminpoort toen Ebed-Melech bij hem kwam om voor Jeremia te pleiten (Jer. 38:7, 8). Men veronderstelt dat de koning zich tijdens de Babylonische belegering dicht bij het gevaarlijkste punt bevond. De Schaapspoort in het N. van de stad zou door de aanvallende Babyloniërs het ernstigst bedreigd worden.
Andere genoemde poorten
Toen koning Zedekia voor de Babyloniërs vluchtte, verliet hij de stad „langs de weg van de poort tussen de dubbele muur, die bij de koningstuin is” (Jer. 52:7, 8; 39:4). Er bestaat veel onzekerheid over de vraag welke muur met de „dubbele muur” bedoeld werd. Volgens de huidige kennis kunnen de in de Schrift beschreven omstandigheden echter betrekking hebben op hetzij de Aspoort of de Bronpoort, daar beide in de buurt van de koningstuin lagen.
In 2 Koningen 23:8 wordt melding gemaakt van de „hoge plaatsen der poorten die bij de ingang van de poort van de stadsoverste Jozua waren, welke aan de linkerkant was als men de stadspoort binnenkwam”. De hier genoemde ’poort van Jozua’ is niet de naam van een stadspoort, maar kennelijk een binnen de stadsmuren gelegen poort die naar het verblijf van de stadhouder voerde, dat zich aan de linkerkant bevond als men de stadspoort binnenkwam.
TEMPELPOORTEN
Oostpoort. In Nehemia’s verslag over de herbouw wordt ons verteld dat de bewaker van de Oostpoort deelnam aan het herstellingswerk (Neh. 3:29). De Oostpoort wordt derhalve niet aangeduid als een poort in de muur van Jeruzalem, zoals sommigen hebben gedacht. De Oostpoort kan ongeveer op dezelfde hoogte gelegen hebben als de Inspectiepoort in de stadsmuur. Kennelijk wordt met de in 1 Kronieken 9:18 vermelde „koningspoort op het oosten” de Oostpoort bedoeld, aangezien de koning door deze poort de tempel binnenging of de tempel uitkwam.
Fundamentpoort. Een tempelpoort waarvan de ligging onbekend is. — 2 Kon. 11:6; 2 Kron. 23:5.
„De bovenpoort van het huis van Jehovah.” Dit kan een poort zijn geweest die op het binnenste voorhof uitkwam, mogelijk de „nieuwe poort van Jehovah”, waar Jeremia berecht werd; misschien was het ook de poort waar Jeremia’s secretaris Baruch het volk uit de rol voorlas (Jer. 26:10; 36:10). Jeremia kan deze poort de „nieuwe poort” genoemd hebben omdat ze niet zo vroeg gebouwd was als de andere poorten; mogelijk was ze de door koning Jotham gebouwde „bovenpoort van het huis van Jehovah”. — 2 Kon. 15:32, 35; 2 Kron. 27:3.
„De Boven-Benjaminpoort, die in het huis van Jehovah was.” Vermoedelijk een poort die op het binnenste voorhof uitkwam, aan de noordzijde van de tempel. — Jer. 20:2; vergelijk Ezechiël 8:3; 9:2.
Schone Poort. Een ingang van de door Herodes de Grote herbouwde tempel, waar Petrus de man genas die van de schoot van zijn moeder af kreupel was (Hand. 3:1-10). Er bestaat een overlevering die deze poort met de huidige Gouden Poort in de stadsmuur vereenzelvigt, maar waarschijnlijk was de Schone Poort een binnenpoort van het tempelterrein, mogelijk dezelfde als de oude „Oostpoort”. Volgens sommigen was ze waarschijnlijk een van de ten O. van het eigenlijke tempelgebouw gelegen poorten die op het voorhof der vrouwen uitkwamen, een poort die volgens Josephus’ beschrijving ongeveer 22 m hoog was en deuren van Korinthisch koper had.
Andere poorten die worden genoemd, zijn „de poort achter de hardlopers” en „de poort der hardlopers”. Beide zijn tempelpoorten waarvan de ligging onbekend is. — 2 Kon. 11:6, 19.
FIGUURLIJK GEBRUIK
In Psalm 118:19, 20 wordt gesproken over de „poorten der rechtvaardigheid” en „de poort van Jehovah”, waardoor de rechtvaardigen binnengaan. (Vergelijk Mattheüs 7:13, 14.) Over iemand die stierf, werd gezegd dat hij de „poorten des doods” binnenging (Ps. 9:13; 107:18). Hij kwam in het gemeenschappelijke graf van de mensheid terecht en ging aldus de poorten van Sjeool of Hades binnen (Jes. 38:10; Matth. 16:18). Aangezien Jezus Christus de sleutels van de dood en van Hades heeft (Openb. 1:18), waren de leden van zijn gemeente ervan verzekerd dat deze vijanden hen niet voor eeuwig gevangen zouden houden. De apostel Paulus toonde aan dat zij allen zouden sterven en de dood en Hades zouden binnengaan, evenals Christus, ten aanzien van wie God de smarten van de dood ontbond en die in Hades niet werd verlaten (Hand. 2:24, 31). En omdat getrouwe christenen van een opstanding verzekerd zijn, behalen de dood en Hades niet de uiteindelijke overwinning over Christus’ gemeente. — 1 Kor. 15:29, 36-38, 54-57.
De heilige stad, het „Nieuwe Jeruzalem”, heeft volgens de beschrijving twaalf poorten die elk van één parel gemaakt zijn, en bij elke poort staat een engel, kennelijk als een wachter. Deze poorten zijn voortdurend open, want omdat het nooit nacht wordt, hoeven ze niet gesloten te worden. De heerlijkheid en de eer van de natiën worden via de poorten de stad binnengebracht. Hoewel de poorten geopend zijn, kunnen degenen die goddeloze, onreine of walgelijke dingen beoefenen zich geen toegang verschaffen. De engelen die de stad bewaken, verlenen alleen degenen die als overwinnaars hun reinheid bewaren en die koningen en priesters met Christus worden, toegang (Openb. 21:2, 12, 21-27; 22:14, 15; 2:7; 20:4, 6). De mensen van de natiën der aarde, die bij het licht van de stad wandelen, worden gezegend.
[Kaart op blz. 1254]
Poorten van Jeruzalem
Hananeëltoren
Manasses muur
VISPOORT
SCHAAPSPOORT
POORT VAN DE WACHT
INSPECTIEPOORT
Burcht
Tempelterrein
Hizkias muur
TWEEDE STADSGEDEELTE
Eerste noordelijke muur
Tyropeondal (centrale dal)
OFEL
STAD VAN DAVID
DALPOORT
PAARDENPOORT
WATERPOORT
Openbaar plein
Gihonbron
POORT VAN DE OUDE STAD
EFRAÏMPOORT
Openbaar plein
Brede Muur
Bakovenstoren
HOEKPOORT
ASPOORT
Dal van Hinnom
Koningstuin
En-Rogel
BRONPOORT
Stroomdal van de Kidron