HOERERIJ.
Geslachtsverkeer tussen twee niet met elkaar gehuwde personen op grond van wederzijds goedvinden. De bijbelse term is echter niet beperkt tot vrij geslachtelijk verkeer tussen ongehuwde personen. De bijbel spreekt over hoererij in algemene zin, of het nu ongehuwde of gehuwde personen zijn die zich eraan schuldig maken. De in de oorspronkelijke Griekse tekst gebruikte term omvat alle soorten van grove seksuele vergrijpen, ook homoseksualiteit. — Jud. 7.
Toen God het eerste huwelijk tussen man en vrouw sloot, zei hij: „Daarom zal een man zijn vader en zijn moeder verlaten en hij moet zich hechten aan zijn vrouw en zij moeten één vlees worden” (Gen. 2:24). Hier werd monogamie als maatstaf voor man en vrouw gesteld, wat vrij geslachtelijk verkeer uitsloot. Ook voor echtscheiding en hertrouwen met iemand anders werden geen voorzieningen getroffen.
In de patriarchale maatschappij hadden Gods getrouwe dienstknechten een afschuw van hoererij, of de desbetreffende personen nu ongehuwd, verloofd of gehuwd waren; hoererij gold als een zonde tegen God. — Gen. 34:1, 2, 6, 7, 31; 38:24-26; 39:7-9.
ONDER DE WET
Onder de Mozaïsche wet moest een man die met een niet-verloofd meisje hoererij had bedreven, met het meisje trouwen en de vader de bruidsprijs (50 zilveren sikkelen) betalen, en hij mocht haar al zijn dagen niet door echtscheiding ontslaan. Zelfs als haar vader haar niet aan hem tot vrouw wilde geven, moest de man de vader de koopprijs betalen (Ex. 22:16, 17; Deut. 22:28, 29). Was het meisje echter verloofd, dan moest de man doodgestenigd worden. Indien het meisje had geschreeuwd toen zij werd aangevallen, mocht zij niet gestraft worden, maar als zij niet had geschreeuwd (waardoor zij haar instemming betuigde), moest zij eveneens worden gedood. — Deut. 22:23-27.
De heiligheid van het huwelijk werd beklemtoond door de wet op grond waarvan een meisje met de dood werd gestraft wanneer zij zich bij het huwelijk als maagd had uitgegeven maar in het geheim hoererij had bedreven. Beschuldigde haar man haar ten onrechte van zo’n vergrijp, dan beschouwde men dit als een grote schande voor het huis van haar vader. De rechters moesten hem wegens deze laster „streng onderrichten” (misschien door het toedienen van slagen) en hem een geldboete van 100 zilveren sikkelen opleggen, die dan aan de vader werden gegeven (Deut. 22:13-21). Wanneer de dochter van een priester prostitutie bedreef, ontwijdde zij zijn heilige ambt. Zij moest gedood en vervolgens als iets verfoeilijks verbrand worden (Lev. 21:9; zie ook Leviticus 19:29). Hoererij tussen gehuwde personen (overspel) was een overtreding van het zevende gebod en bracht voor beide partners de doodstraf met zich. — Ex. 20:14; Deut. 5:18; 22:22.
Wanneer een man hoererij bedreef met een dienstmaagd die voor een andere man bestemd was, maar die nog niet losgekocht of vrijgelaten was, moest er bestraffing plaatsvinden; zij hoefden evenwel niet gedood te worden (Lev. 19:20-22). Kennelijk was de reden hiervoor dat de vrouw nog niet vrij was en daarom niet volledig naar eigen oordeel kon handelen zoals een verloofd meisje dat vrij was. De loskoopprijs was nog niet of althans nog niet volledig betaald, zodat zij nog steeds een slavin van haar meester was.
VOOR CHRISTENEN VERBODEN
Jezus Christus herstelde Gods oorspronkelijke maatstaf van monogamie (Matth. 5:32; 19:9) en hij veroordeelde hoererij door ze op één lijn te stellen met goddeloze overleggingen, moord, diefstal, vals getuigenis en lastering. Hij wees erop dat al deze dingen uit het binnenste, het hart, van een mens komen en hem verontreinigen (Matth. 15:19, 20; Mark. 7:21-23). Later, in 49 G.T., schreef het besturende lichaam van de christelijke gemeente, dat uit de apostelen en oudere mannen in Jeruzalem bestond, de christenen een brief waarin zij werden gewaarschuwd voor hoererij en deze zonde op één lijn werd gesteld met afgoderij en het eten van bloed. — Hand. 15:20, 29; 21:25.
De apostel Paulus maakt duidelijk dat hoererij tot de werken van het vlees (het tegengestelde van de vrucht van Gods geest) behoort en laat de waarschuwing horen dat personen die de werken van het vlees beoefenen, het Koninkrijk niet zullen beërven (Gal. 5:19-21). Hij geeft christenen de raad hun lichaam te doden „ten aanzien van hoererij, . . . welke afgoderij is” (Kol. 3:5). Hij waarschuwt de christenen er zelfs voor dat zij, omdat zij heilig moeten zijn, hoererij niet tot een onderwerp van gesprek dienen te maken, net zomin als de Israëlieten de namen van de heidense goden van de hen omringende natiën mochten vermelden. — Ef. 5:3; Ex. 23:13.
Hoererij is een overtreding waarvoor iemand uit de christelijke gemeente gesloten kan worden (1 Kor. 5:9-13; Hebr. 12:15, 16). De apostel legt uit dat een christen die hoererij bedrijft, tegen zijn eigen lichaam zondigt, doordat hij zijn voortplantingsorganen misbruikt. Hij berokkent zichzelf grote geestelijke schade, brengt onreinheid in Gods gemeente en stelt zich bloot aan het gevaar een dodelijke geslachtsziekte op te lopen (1 Kor. 6:18, 19). Hij maakt inbreuk op de rechten van zijn christelijke broeders (1 Thess. 4:3-7) (1) doordat hij onreinheid en schandelijke dwaasheid in de gemeente brengt, waardoor er smaad op komt te rusten (Hebr. 12:15, 16), (2) doordat hij degene met wie hij hoererij bedrijft, berooft van een reine morele reputatie en van het recht zedelijk rein te blijven teneinde een eerbaar huwelijk aan te gaan, en (3) doordat hij het reine morele bericht van zijn eigen gezin bezoedelt, alsook de ouders, echtgenoot of verloofde van degene met wie hij hoererij bedrijft, onrecht aandoet. Hij minacht niet mensen, wier wetten hoererij al dan niet mogen toelaten, maar God, die hem wegens zijn zonde zal straffen. — 1 Thess. 4:8.
SYMBOLISCH GEBRUIK
Jehovah God noemde de natie Israël, die met hem in een verbondsverhouding stond, zijn „vrouw” (Jes. 54:5, 6). Toen de natie hem echter ontrouw werd, hem de rug toekeerde en zich voor hulp tot andere natiën zoals Egypte en Assyrië wendde en daar verbintenissen mee aanging, kon ze met een ontrouwe vrouw vergeleken worden, een overspeelster, een prostituée, die ongebreidelde hoererij bedreef (Ezech. 16:15, 25-29). Ook christenen, die in een opgedragen verhouding tot God staan, of belijden te staan, maar die zich ontrouw betonen doordat zij valse aanbidding beoefenen of vrienden van de wereld zijn, worden als overspeelsters aangeduid. — Jak. 4:4.
Babylon de Grote — in het bijbelboek Openbaring als een hoer beschreven — symboliseert daarom iets religieus. Haar diverse „christelijke” en heidense sekten maken er aanspraak op organisaties te zijn die de ware aanbidding hoog houden. Maar in haar zucht naar macht en materieel gewin heeft ze vriendschappelijke betrekkingen aangeknoopt met de heersers van deze wereld, en „de koningen der aarde hebben hoererij met haar bedreven”. Haar onreine, smerige handelwijze in verband met haar hoererij is in Gods ogen verfoeilijk en heeft tot veel bloedvergieten en grote benauwdheid op aarde geleid (Openb. 17:1-6; 18:3). Derhalve zal God aan haar het voor hoereerders bestemde oordeel voltrekken: vernietiging. — Openb. 17:16; 18:8, 9.