BOS.
Eens was het land Palestina rijk aan bossen met vele boomsoorten. Dat er in de Schrift over bossen en bosrijke streken en over het gebruik van houten materialen wordt gesproken, toont aan dat er in Palestina destijds veel meer bomen waren dan tegenwoordig (2 Kron. 27:4; Recht. 9:48, 49). Dit blijkt ook uit de beschrijvingen van wilde dieren, hetgeen aantoont dat de bossen als geschikte schuilplaats en woonplaats dienden voor beren (2 Kon. 2:23, 24), leeuwen (1 Sam. 17:34; 1 Kron. 11:22) en andere diersoorten. — Ezech. 34:25.
Net zoals bomen worden gebruikt om individuele personen en heersers af te beelden, gebruikt de bijbel bossen als symbool van volken of natiën en hun heersers. De goddeloosheid van het afvallige Juda was als een vlam die het volk zou verteren (Jes. 9:18); de Assyrische strijders zouden omgehakt en uitgedund worden als bomen van een woud (Jes. 10:19, 34); Jehovah’s toorn zou het zuidelijke koninkrijk (Juda) verteren met een onuitblusbare vlam (Ezech. 20:46-48). Soortgelijke profetieën worden uitgesproken tegen heidense natiën, vijanden van Gods volk. — Ps. 83:14, 15; Jer. 46:22, 23.