ETHBAÄL
(E̱thbaäl) [met Baäl].
De koning van de Sidoniërs en de vader van Izebel, de vrouw van koning Achab (1 Kon. 16:31). Doordat Ethbaäl zijn dochter aan Achab ten huwelijk gaf, ging hij een politiek bondgenootschap met Achab aan. Ethbaäl is hoogstwaarschijnlijk de Ithobal van wie de geschiedschrijver Menander, die door Josephus wordt aangehaald, zegt dat hij de priester van de godin Astarte (Astoreth) was. Deze priester verwierf het koningschap nadat hij Pheles had vermoord, een nakomeling van Hiram, de koning van Tyrus, met wie Salomo in verband met de tempelbouw handelsbetrekkingen onderhield. Naar verluidt heeft Ethbaäl 32 jaar van de 68 jaar van zijn leven geregeerd (Tegen Apion, I, 18). Dat Ethbaäl tijdens zijn regering de handelsbetrekkingen uitbreidde, blijkt uit het feit dat hij, zoals Menander vermeldt, Anza in Libië stichtte. Menander maakt ook melding van een eenjarige droogte, die tijdens de regering van Ethbaäl plaatsvond. — De joodse geschiedenis, VIII, xiii, 2.