BALSEMEN.
Het behandelen van een lijk (van een mens of dier) met bepaalde middelen, zoals welriekende oliën, teneinde het voor ontbinding te behoeden. Indien deze kunst haar oorsprong niet bij de Egyptenaren vond, dan werd ze toch op zijn minst reeds heel vroeg door hen beoefend. Het lijk van een mens of dier dat volgens Egyptisch gebruik of op een andere wijze werd gebalsemd, noemt men een mummie. Niet alleen de Egyptenaren balsemden menselijke lijken, maar ook oude volken zoals de Assyriërs, de Perzen en de Scythen deden dit.
Het schijnt dat de Egyptenaren het bewaren van iemands mummie van essentieel belang achtten voor een uiteindelijke hereniging van zijn lichaam met zijn ziel — die zij als onsterfelijk beschouwden. Van deze hereniging wordt in het Egyptische „dodenboek” melding gemaakt. De Egyptenaren schijnen ook geloofd te hebben dat het voortbestaan van iemands ziel afhankelijk was van het conserveren van zijn lichaam. Er zijn in Egypte vele mummies gevonden van katten, ibissen en andere dieren die door sommige Egyptenaren als heilig werden beschouwd. De Egyptenaren geloofden op zijn minst gedurende een bepaalde periode in zielsverhuizing.
DE BALSEMING VAN JAKOB EN JOZEF
De bijbel spreekt slechts in twee gevallen uitdrukkelijk over balsemen, en beide gevallen vonden in Egypte plaats. In het geval van Jakob had het balsemen klaarblijkelijk hoofdzakelijk ten doel het lijk tot aan de begrafenis in het Beloofde Land te conserveren. In Jozefs geval kan zijn voorname positie de reden zijn geweest. — Gen. 49:29-32; 50:13, 24, 25; Ex. 13:18, 19; Joz. 24:32.
GEEN HEBREEUWS EN OOK GEEN CHRISTELIJK GEBRUIK
De slechte toestand van menselijke resten die men in Palestijnse graven heeft gevonden, toont aan dat het bij de Hebreeën over het algemeen niet gebruikelijk was de doden te balsemen (althans niet om ze voor lange tijd te conserveren, zoals bij de Egyptenaren de gewoonte was), en dat ook de eerste volgelingen van Christus daar hun gestorvenen niet balsemden teneinde hun lichaam voor onbepaalde tijd te conserveren. Getrouwe Hebreeën en ware christenen wisten dat de ziel van een mens of een dier sterft en dat het lichaam tot stof terugkeert (Pred. 3:18-20; Ezech. 18:4). Dat de bijbel zo weinig over balsemen zegt, schijnt nog een bewijs te zijn dat het onder de Hebreeën en de eerste christenen geen algemeen erkend gebruik was.
METHODEN VAN BALSEMEN IN DE OUDHEID
De Egyptische balsemingsmethoden varieerden al naar gelang de belangrijkheid of de rijkdom van de gestorvene. Volgens Herodotus werd bij de Egyptische balsemingsprocedure het lijk zeventig dagen in natron gelegd. De bijbel zegt echter over de balseming van Jakob door Egyptische geneesheren, welke gebeurtenis veel eerder plaatsvond: „Zij namen volle veertig dagen voor hem, want zoveel dagen neemt men gewoonlijk voor de balseming, en de Egyptenaren bleven zeventig dagen tranen om hem storten” (Gen. 50:3). Geleerden hebben verscheidene pogingen gedaan om Genesis 50:3 met Herodotus’ woorden in overeenstemming te brengen. Enerzijds zou het kunnen zijn dat de periode waarin het lichaam in de natron lag, niet bij de 40 dagen inbegrepen was. Anderzijds is het ook heel goed mogelijk dat Herodotus zich eenvoudig heeft vergist toen hij zei dat het lijk zeventig dagen in natron werd gelegd. De latere Griekse geschiedschrijver Diodorus Siculus (uit de 1ste eeuw v.G.T.) schreef (I, 91) dat de Egyptische balsemingsprocedure meer dan 30 of 40 dagen duurde, en dat er om een gestorven koning 72 dagen werd gerouwd, waarbij de dag van de begrafenis wellicht is meegeteld. Natuurlijk kunnen er nog andere Egyptische balsemingsmethoden zijn geweest waarvan geen van deze geschiedschrijvers melding maakte, en het is ook mogelijk dat de duur van de balsemingsprocedure op verschillende tijdstippen in de geschiedenis varieerde.
DE BEGRAFENIS BIJ HEBREEËN EN CHRISTENEN
Over de begrafenis van koning Asa zegt de bijbel: „Men legde hem op het bed dat men gevuld had met balsemolie en verschillende soorten van zalf die door vermenging tot een speciale zalf waren bereid. Voorts ontstak men een buitengewoon groot begrafenisvuur voor hem.” Dit betekent niet dat de koning werd gecremeerd, maar dat er specerijen werden verbrand (2 Kron. 16:13, 14). En als het gebruik van zalf in dit geval een soort balseming geweest zou zijn, dan was het niet de soort van balseming die door de Egyptenaren werd toegepast.
Toen Jezus Christus stierf, bracht Nikodemus „een rol mirre en aloë mee, ongeveer honderd pond”, en vervolgens zegt de bijbel: „Zij dan namen het lichaam van Jezus en bonden het met de specerijen in windsels, zoals bij de joden gebruikelijk is ter voorbereiding op de begrafenis” (Joh. 19:39, 40). Dit werd echter niet uitdrukkelijk een balseming genoemd en het was ook niet te vergelijken met de balsemingsmethoden van de Egyptenaren. Het was de gebruikelijke manier om een lichaam voor de begrafenis voor te bereiden, wat ongetwijfeld dezelfde manier was waarop Lazarus’ lichaam werd voorbereid om in het graf gelegd te worden. Zijn geval toont aan dat de joden niet gewoon waren een ingewikkelde balsemingsprocedure te volgen met de bedoeling het lichaam lange tijd te conserveren, want toen Jezus zei: „Neemt de steen weg”, zei Martha: „Heer, hij moet nu al rieken, want het is reeds vier dagen geleden.” Martha zou beslist niet verwacht hebben dat het met Lazarus zo gesteld zou zijn indien hij was gebalsemd. Lazarus’ voeten en handen waren met zwachtels omwonden en er was „een doek om zijn gelaat gebonden”, maar de bedoeling daarvan was kennelijk niet geweest zijn lichaam voor ontbinding te behoeden. — Joh. 11:39, 44.