Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • ad blz. 1570
  • Verven

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Verven
  • Hulp tot begrip van de bijbel
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • IN DE OUDHEID GEBRUIKTE METHODEN
  • KLEURSTOFLEVERANCIERS
  • Verven
    Inzicht in de Schrift, Deel 2
  • Het verven van stoffen — Vroeger en nu
    Ontwaakt! 2007
  • Purper
    Nieuwewereldvertaling van de Bijbel (studie-uitgave)
  • Kleuren en stoffen in Bijbelse tijden
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2012
Meer weergeven
Hulp tot begrip van de bijbel
ad blz. 1570

VERVEN.

De kunst om met gebruikmaking van kleurstoffen bepaalde tinten en kleurnuances te geven aan garen, weefsel en andere materialen. Deze kunst verstond en beoefende men reeds vóór Abrahams tijd en ze is waarschijnlijk net zo oud als de weefkunst. De Israëlieten gebruikten materialen als blauw draad, karmozijnen stof en roodpurpergeverfde wol voor de aankleding van de tabernakel en voor de priesterklederen (Ex. hfdst. 25–28, 35, 38, 39). Verven was in vroeger tijden meer een huiselijke bezigheid, maar werd uiteindelijk op diverse plaatsen min of meer als bedrijf uitgeoefend. De oude Egyptenaren stonden bekend om hun bijzonder schitterend geverfde stoffen (Ezech. 27:7), en na Egyptes verval werden Tyrus en andere Fenicische steden belangrijke centra van de verfkunst. Zoals de ontdekking van ververijen in heel Palestina laat zien, verstonden ook de Hebreeën de kunst van het verven.

IN DE OUDHEID GEBRUIKTE METHODEN

De verfmethoden verschilden van plaats tot plaats. Soms werd het garen geverfd, terwijl men in andere gevallen de kleurstof op het kant en klare weefsel aanbracht. Het schijnt dat garen tweemaal een verfbad kreeg; nadat men het voor de tweede keer uit de verfkuip had genomen, werd het uitgeperst, zodat de kostbare verf bewaard bleef. Vervolgens werd het garen uitgespreid om te drogen.

Elk materiaal moest verschillend worden behandeld. Soms, zij het zelden, had de kleurstof een natuurlijke affiniteit tot de te verven vezel. Was dat echter niet het geval, dan moest men het materiaal eerst met een bijtmiddel behandelen — dit is een stof die zich zowel aan de vezel als aan de kleurstof hecht. Wil een stof als bijtmiddel kunnen fungeren, dan moet ze zich op z’n minst aan de kleurstof hechten, zodat daarmee een onoplosbare, gekleurde verbinding wordt gevormd. Uit ontdekkingen is gebleken dat de Egyptenaren bijtmiddelen gebruikten bij het verven. Zij gebruikten bijvoorbeeld de drie kleuren rood, geel en blauw, maar men zegt dat deze kleurstoffen zich zonder het gebruik van arseen-, ijzer- en tinoxiden als bijtmiddel niet hadden kunnen hechten.

Blijkbaar werden dierehuiden eerst gelooid en vervolgens geverfd. Nog niet zo lang geleden werden in Syrië ramsvellen in sumak gelooid, waarna de kleurstof werd aangebracht. Na het drogen van de verf werden de vellen met olie ingewreven en daarna gepolijst. Schoenen en andere lederwaren van de bedoeïenen werden op deze wijze rood geverfd. Dit kan ons doen denken aan de „roodgeverfde ramsvellen” die voor de tabernakel werden gebruikt. — Ex. 25:5.

KLEURSTOFLEVERANCIERS

De kleurstof karmozijn werd bereid uit de oudst bekende kleurstofleverancier, de kermesschildluis (Coccus ilicis). Dit is een parasitair levend insekt uit de familie der Coccidae, die weer tot de orde der Homoptera wordt gerekend. Omdat het levende wijfje, dat de grootte van een kersepit heeft, op een bes lijkt, werd het door de Grieken aangeduid met hun woord kokʹkos, dat „bes” betekent. De Arabische naam voor dit insekt is kirmiz of kermez, waarvan het Nederlandse woord „karmozijn” is afgeleid. Dit insekt komt overal in het Midden-Oosten voor. Alleen de eieren van de kermesschildluis bevatten de purperrode kleurstof, die rijk is aan kermeszuur. Tegen het einde van april zuigen de ongevleugelde, met eieren gevulde wijfjes zich met hun snuit aan de twijgen of soms ook aan de bladeren van de kleine kermeseik vast. Deze wijfjes worden verzameld en gedroogd en vervolgens wordt de kostbare kleurstof verkregen door ze in water te koken. Dit is de rode kleurstof die op grote schaal werd gebruikt voor het toebehoren van de tabernakel en voor de klederen van Israëls hogepriester.

Het oude Tyrus werd beroemd wegens een purperen of diepkarmozijnen kleurstof, die bekendstond als Tyrisch purper of keizerspurper. Naar verluidt volgden de Tyriërs een methode waarbij tweemaal een verfbad werd gegeven; het precieze recept om deze kleur te krijgen, is echter onbekend. De kleurstof werd blijkbaar uit weekdieren van de geslachten Murex en Purpura gewonnen. Langs de kust van Tyrus en in de omgeving van Sidon heeft men stapels lege schelpen van de purperslak (Murex trunculus) gevonden. Aangezien elk schaaldier maar weinig vocht leverde, was het een kostbaar proces om een redelijke hoeveelheid kleurstof bij elkaar te krijgen. Dientengevolge was deze verf duur en werden purpergeverfde gewaden een symbool van de welgestelden en de hooggeplaatsten (Esth. 8:15; Luk. 16:19). De Fenicische stad Tyrus wordt door Jehovah beschreven als een plaats die beschikte over roodpurpergeverfde wol en andere kleurrijke stoffen, en daarmee ook handel dreef. — Ezech. 27:2, 7, 24.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen