KERKER.
Toen David zich als vogelvrij verklaarde vluchteling in een grot voor koning Saul verborg, had hij het gevoel dat hij zich in een kerker bevond. Hij wist niet wat de toekomst hem zou brengen en zijn leven verkeerde voortdurend in gevaar. Op zijn weg spande men hem strikken en er was geen plaats meer waarheen hij kon vluchten. Hij bad tot Jehovah om bevrijding (Ps. 142:7). Jesaja gebruikt het woord op twee plaatsen symbolisch: (1) in hoofdstuk 24, vers 22, waar hij erover spreekt dat koningen op de dag dat Jehovah koning wordt, in een kerker vergaderd worden, en (2) in hoofdstuk 42, vers 7, betreffende hen die zich in geestelijke duisternis en geestelijke gevangenschap bevinden. De bejaarde Simeon bracht onder inspiratie deze laatstgenoemde profetie van toepassing op degenen aan wie Jezus Christus het licht der waarheid zou brengen. — Luk. 2:25-32.