DEUR.
De toegang tot een kamer, een huis of een gebouw, bestaande uit: (1) De bovendorpel, een horizontale houten of stenen balk die de deuropening aan de bovenkant overspant en het gewicht van de constructie boven de deur draagt; (2) de twee rechtopstaande deurposten, aan elke kant van de deur één, waarop de bovendorpel rust; (3) de deur zelf; (4) de drempel of onderdorpel waarop de deur aan de onderzijde sluit.
De deur was gewoonlijk van hout en draaide meestal op pennen die aan de bovendorpel en aan de drempel in een pengat pasten (Spr. 26:14). Deurpennen waren dikwijls van hout. De deuren van de gemiddelde huizen waren klein en niet versierd. Voor de drempel werd gewoonlijk hout of steen gebruikt. Deuren van huizen of poorten werden soms gesloten met behulp van grendels of dwarsbalken van hout of ijzer (Jes. 45:2; Deut. 3:5; 2 Kron. 8:5; 14:7), die gewoonlijk zo bevestigd werden dat ze in holten in poortstijlen of deurposten geschoven konden worden.
Metalen deurkloppers kwamen wel voor, maar de bijbel zegt niet uitdrukkelijk dat de Hebreeën ze gebruikten. Om gehoor te krijgen bij huisbewoners, klopte men op de deur van het huis of van de poort. — Hoogl. 5:2; Hand. 12:13.