Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • ad blz. 639
  • Hond

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Hond
  • Hulp tot begrip van de bijbel
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • ZINNEBEELDIG GEBRUIK
  • Hond
    Inzicht in de Schrift, Deel 1
  • Is een vriendelijke hond ongevaarlijk?
    Ontwaakt! 1972
  • Honden — Altijd ’s mensen beste vriend?
    Ontwaakt! 1985
  • Zij houden honden voor bescherming
    Ontwaakt! 1974
Meer weergeven
Hulp tot begrip van de bijbel
ad blz. 639

HOND.

Voor de Israëlieten was de hond een ceremonieel onrein dier en daarom is het waarschijnlijk nooit bij hen opgekomen om honden te houden (Lev. 11:27; Jes. 66:3). Hoewel de bijbel het vaak over schapen en herders heeft, spreekt alleen Job, een niet-Israëliet, over „de honden van mijn kudde”. — Job 30:1.

Evenals aasvogels waren honden — vooral in de steden — aaseters. Volgens de Wet diende iets wat door een wild dier verscheurd was, voor de honden geworpen te worden (Ex. 22:31). Soms voltrok Jehovah het oordeel aan zijn vijanden doordat hun lijken door aasvretende honden werden verslonden of hun bloed door hen werd opgelikt. Vanwege de uitermate trouweloze handelwijze die de koningen Jerobeam, Baësa en Achab volgden, moest al wie van hun families in de stad stierf, door de honden worden verslonden (1 Kon. 14:11; 16:4; 21:24). In vervulling van Jehovah’s woord likten de honden het bloed van Achab op en werd het vlees van zijn vrouw Izebel voedsel voor de honden (1 Kon. 21:19; 22:38; 21:23; 2 Kon. 9:10, 35, 36). Doelend op het feit dat de honden het bloed van de vijanden van Jehovah’s volk zouden oplikken, schreef de psalmist: „Opdat de tong van uw honden haar deel krijgt van de vijanden” (Ps. 68:23). Zoals was voorzegd, zouden de honden een aandeel hebben aan het verderf dat over het ontrouwe Jeruzalem en Juda zou komen. Ze zouden lijken wegslepen, verminken, verslinden en het bloed oplikken. — Jer. 15:3.

ZINNEBEELDIG GEBRUIK

Kort na het Pascha van 32 G.T. kwam een Syro-Fenicische vrouw naar Jezus Christus toe en vroeg hem herhaaldelijk een demon uit haar dochter uit te werpen. Aanvankelijk weigerde Jezus door te zeggen: „Het is niet juist het brood van de kinderen te nemen en het hondjes voor te werpen.” Doordat Jezus de niet-joden met „hondjes” (waarschijnlijk huishonden, geen wilde straathonden) vergeleek, verzachtte hij de vergelijking. Toch werd de vrouw door wat Jezus zei, kennelijk op de proef gesteld. Nederig antwoordde zij: „Jawel, Heer, maar de hondjes eten toch ook van de kruimels die van de tafel van hun meesters vallen.” Haar woorden weerspiegelden een groot geloof en daarom werd haar dochter gezond gemaakt. — Matth. 15:21-28; Mark. 7:24-30.

De weerzinwekkende gewoonte van honden om naar uitgebraakt voedsel terug te keren teneinde het weer op te eten, wordt als voorbeeld gebruikt om de handelwijze te illustreren van degenen die de weg der rechtvaardigheid verlaten en naar hun vroegere onreine toestand terugkeren (2 Petr. 2:20-22; Spr. 26:11). Moreel onreine personen worden honden genoemd. Gods aan Israël gegeven wet luidde: „Gij moogt geen hoerenloon noch hondenprijs [prijs van een „mannelijke prostitué”, AT; of „waarschijnlijk een ’pederast’” (knapenschenner), NW, Stud., voetn.] in het huis van Jehovah, uw God, brengen voor enige gelofte, want die zijn iets verfoeilijks voor Jehovah, uw God, ja, die beide” (Deut. 23:18). Allen die als aasvretende straathonden walgelijkheden zoals homoseksualiteit, tribadie, kwaadaardigheid en wreedheid beoefenen, wordt de toegang tot het Nieuwe Jeruzalem ontzegd. — Openb. 22:15; zie ook Filippenzen 3:2.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen