DANIËL, HET BOEK.
WAAR DE GEBEURTENISSEN ZICH AFSPEELDEN EN WANNEER HET BOEK GESCHREVEN IS
De in het boek opgetekende gebeurtenissen spelen zich af in Babylon; een van de visioenen speelt zich af in Susan, aan de rivier de Ulai. Of Daniël zich werkelijk in Susan bevond of slechts in het visioen, is niet duidelijk. Het schrijven van het boek werd omstreeks 536 v.G.T. voltooid en het handelt over de periode van 618 tot ongeveer 536 v.G.T. — Dan. 8:1, 2.
SCHRIJVER
Dat Daniël de schrijver is, blijkt uit het boek zelf (Dan. 7:1). Het blijkt ook uit het feit dat hoofdstuk 7 tot en met 12 in de eerste persoon geschreven is.
Hoofdstuk 1 tot en met 6 is in de derde persoon geschreven, maar dat getuigt niet tegen de opvatting dat Daniël het boek geschreven heeft. Hij stelde zich in de positie van een toeschouwer, die rapporteerde wat hemzelf en anderen overkwam. Een andere bijbelschrijver, Jeremia, doet dit ook herhaaldelijk. (Zie Jeremia 20:1-6; 21:1-3 en hoofdstuk 26 en 36.) Op andere plaatsen schrijft Jeremia in de eerste persoon. — Jer. hfdst. 1, 13, 15, 18.
PLAATS IN DE CANON
In de Nederlandse bijbel vindt men Daniël onder de grote profeten, onmiddellijk na Ezechiël. Dit komt overeen met de volgorde in de Septuaginta en in de Latijnse Vulgaat. In de Hebreeuwse canon bevindt het boek Daniël zich onder de „Geschriften” of „Hagiografen”.
AUTHENTICITEIT
Sommige critici betwijfelen de authenticiteit van het boek Daniël, alhoewel grote geleerden hun theorieën afdoend hebben weerlegd, theorieën die alle op veronderstellingen berusten. Deze critici nemen het standpunt in van een derde-eeuwse heidense filosoof en vijand van het christendom, Porphyrius, die beweerde dat het boek Daniël een vervalsing was van de hand van een Palestijnse jood uit de tijd van Antiochus Epiphanes. Deze bedrieger, zo luidt zijn theorie, nam gebeurtenissen uit het verleden en deed het voorkomen alsof het profetieën waren. De echtheid van het boek Daniël werd echter van die tijd af tot aan het begin van de 18de eeuw niet serieus in twijfel getrokken. Alhoewel over de geschiedkundige gebeurtenissen en over bijzonderheden van het leven in Babylon in de 6de eeuw v.G.T. zeer weinig bekend is, matigen critici zich aan een oordeel over de nauwkeurigheid van Daniël te kunnen vellen. Hoe meer archeologische ontdekkingen de kennis van de mens over deze tijd doen toenemen, des te meer wordt het boek Daniël gerechtvaardigd en des te duidelijker wordt het dat de critici het bij het verkeerde eind hebben. Maar een nog belangrijker bewijs voor de authenticiteit van het boek is het feit dat Jezus Christus zelf de profetieën van Daniël als waar aanvaardde. — Matth. 24:15; Dan. 11:31.
HISTORISCH
Drie handschriften van gedeelten van het boek Daniël en vele fragmenten ervan werden in de grotten bij de Dode Zee gevonden. Deze rollen dateren uit de 1ste of 2de eeuw v.G.T.; het boek Daniël was destijds een erkend onderdeel van de Schrift en was bij de joden zo goed bekend dat er reeds vele afschriften van waren gemaakt. Dat het destijds als canoniek werd erkend, wordt ondersteund door de schrijver van het apocriefe maar historische boek Eén Makkabeeën (2:59, 60), die verwijst naar Daniëls bevrijding uit de leeuwekuil en de redding van de drie Hebreeën uit de vuuroven.
Wij hebben ook het getuigenis van de joodse geschiedschrijver Josephus, die zegt dat de profetieën van Daniël aan Alexander de Grote werden getoond toen hij Jeruzalem binnentrok. Dit vond plaats vóór 323 v.G.T., meer dan 150 jaar vóór de tijd van de Makkabeeën. Josephus schrijft over dit voorval: „Als men hem nu Daniëls geschrift toonde, waarin deze te kennen geeft, dat een zekere Griek het Perzische rijk vernietigen zal, geloofde hij, dat hij de hier aangewezen persoon was” (De joodse geschiedenis, XI, viii, 5). De geschiedenis vermeldt ook dat Alexander de joden grote gunsten verleende, en men gelooft dat hij dit deed vanwege datgene wat Daniël profetisch over hem geschreven had.
TAAL
Op grond van de in het boek Daniël gebruikte talen is er enige ongegronde kritiek geuit, maar er zijn krachtige argumenten die de uitspraken in het boek Daniël, wat de tijd betreft waarin het werd geschreven, ondersteunen. The International Standard Bible Encyclopaedia, Deel II, blz. 785, zegt: „Wij beweren echter dat de samenstelling van het Aramees waarin Daniël enkele gedeelten van zijn boek heeft opgetekend, in bijna elk orthografisch, etymologisch en syntactisch detail overeenstemt met het Aramees van de Noordsemitische inscripties uit de 9de, 8ste en 7de eeuw v. Chr. en met de Egyptische papyri uit de 5de eeuw v. Chr., en dat de woordenschat van Daniël een bijmengsel bevat van Hebreeuwse, Babylonische en Perzische woorden, evenals dat bij de papyri uit de 5de eeuw v. Chr. het geval is; daarentegen onderscheidt het zich wat samenstelling betreft van het Aramees der Nabateeërs, dat geen Perzische, Hebreeuwse en Babylonische woorden, maar wel veel Arabismen bevat, en ook van dat der Palmyrenen, dat veel Griekse woorden heeft, terwijl het slechts een of twee Perzische woorden bevat en helemaal geen Hebreeuwse of Babylonische.”
Het boek Daniël bevat enkele zogenaamde Perzische woorden, maar aangezien de joden dikwijls met Babyloniërs, Meden, Perzen en anderen te maken hadden, is dit niet ongewoon. Bovendien zijn de meeste vreemde woorden die Daniël gebruikt, namen van ambtsdragers, kledingstukken, wettelijke termen en dergelijke, waarvoor het Hebreeuws of het Aramees van die tijd kennelijk geen nauwkeurig overeenkomende uitdrukkingen had. Daniël schreef voor de leden van zijn volk, die destijds voor het grootste deel in Babylonië woonden of in andere gebieden verstrooid waren. Hij schreef daarom in een taal die zij konden begrijpen.
LEERSTELLINGEN
Nog een tegenwerping is dat Daniël zinspeelt op de opstanding (Dan. 12:13). Sommigen menen dat deze leerstelling zich pas later heeft ontwikkeld of aan een heidens geloof is ontleend, maar de Hebreeuwse Geschriften bevatten vele uitingen van geloof in een opstanding, bijvoorbeeld in Job 14:13, 15 en Psalm 16:10. Bovendien zijn er verslagen van werkelijke opstandingen (1 Kon. 17:21, 22; 2 Kon. 4:22-37; 13:20, 21). En geen geringere autoriteit dan de apostel Paulus verklaarde dat Abraham in de opstanding van de doden geloofde (Hebr. 11:17-19) en dat ook andere getrouwe dienstknechten van God uit de oudheid vooruitzagen naar de opstanding (Hebr. 11:13, 35-40; Rom. 4:16, 17). Jezus zelf zei: „Maar dat de doden worden opgewekt, heeft zelfs Mozes onthuld in het bericht over het doornbos, wanneer hij Jehovah ’de God van Abraham en de God van Isaäk en de God van Jakob’ noemt.” — Luk. 20:37.
Degenen die beweren dat het boek niet werkelijk profetisch is maar pas na de vermelde gebeurtenissen is geschreven, zouden de tijd waarin het boek dan wel geschreven zou zijn, moeten opschuiven tot na de dagen van Jezus’ aardse bediening, want het negende hoofdstuk bevat, zoals erkend wordt, een profetie over het verschijnen en het offer van de Messias (Dan. 9:25-27). Bovendien reikt de profetie eeuwen voorbij de tijd van Antiochus Epiphanes en voorzegt de geschiedenis van de koninkrijken die helemaal tot „de tijd van het einde” zouden heersen, wanneer ze door Gods koninkrijk in handen van zijn Messias vernietigd zouden worden. — Dan. 7:9-14, 25-27; 2:44; 11:35, 40.
WAARDE VAN HET BOEK
Het boek Daniël onderscheidt zich door het vermelden van profetische tijdsperiodes: De 69 (jaar)weken vanaf het decreet om Jeruzalem te herbouwen tot de komst van de Messias, de gebeurtenissen die in de 70ste week zouden plaatsvinden en de verwoesting van Jeruzalem die spoedig daarna zou volgen, de „zeven tijden” die door Jezus als „de bestemde tijden der natiën” werden aangeduid en die — zoals hij te kennen gaf — ten tijde dat hij op aarde was nog steeds voortduurden en pas veel later zouden eindigen; en de periodes van 1290, 1335 en 2300 dagen, alsook „een bestemde tijd, bestemde tijden en een helft”. Al deze tijdprofetieën leveren een belangrijke bijdrage tot een begrip van de wijze waarop God met zijn volk handelt. De geïnspireerde uitleg die de engel geeft aan de profetie betreffende de beesten, namelijk dat ze wereldmachten voorstellen (Dan. 8:20, 21), vormt voor bijbelgeleerden een grote hulp om de symboliek van de beesten uit Openbaring te begrijpen. — Dan. 4:25; Luk. 21:24.
Bovendien beschrijft Daniël details met betrekking tot de opkomst en val van wereldmachten, vanaf de tijd van het oude Babylon tot aan de tijd dat Gods koninkrijk ze voor eeuwig vernietigt. De profetie vestigt de aandacht op Gods koninkrijk in handen van de door hem aangestelde koning en diens metgezellen, de „heiligen”, als de regering die, tot zegen van allen die God dienen, voor eeuwig zal blijven bestaan. — Dan. 2:44; 7:13, 14, 27.
Daniëls verslag over de bevrijding van zijn drie metgezellen uit de vuuroven, waarin zij geworpen waren omdat zij geweigerd hadden voor het grote gouden beeld van Nebukadnezar te buigen (hfdst. 3), toont aan dat het recht van Jehovah’s aanbidders om hem exclusieve toewijding te schenken, in het rijk van de eerste wereldmacht gedurende de „tijden der heidenen” wettelijk bevestigd werd. Tevens helpt het christenen te begrijpen dat hun onderworpenheid aan de superieure autoriteiten, zoals in Romeinen 13:1 vermeld staat, relatief is. Daarmee stemt ook de handelwijze van de apostelen overeen (Hand. 4:19, 20; 5:29). Christenen worden door Daniëls verslag gesterkt in hun positie van neutraliteit met betrekking tot de aangelegenheden van de natiën. Het toont aan dat zij door hun neutraliteit in moeilijkheden kunnen komen, maar of God hen nu uit zulke situaties redt of niet, of dat hij zelfs toelaat dat zij wegens hun rechtschapenheid gedood worden, zij staan op het standpunt dat zij alleen Jehovah God zullen aanbidden en dienen. — Dan. 3:16-18; zie het boek „De gehele Schrift is door God geïnspireerd en nuttig”, blz. 138-142.
OVERZICHT VAN DE INHOUD
I. Opleiding van koninklijke gevangenen en edelen, die in 617 v.G.T. naar Babylon waren gebracht (hfdst. 1)
A. Daniël en zijn drie metgezellen vragen of zij niets van de wijn en de lekkernijen van de koning behoeven te gebruiken; een proef van tien dagen bewijst dat hun voeding, bestaande uit groenten en water, beter is (1-16)
B. Na een opleiding van drie jaar blijken Daniël en zijn metgezellen als gevolg van Gods zegen wijzer te zijn dan de andere „wijzen” (17-21)
II. Nebukadnezars droom van het reusachtige ’angstwekkende’ beeld (hfdst. 2)
A. Babylons „wijzen” kunnen Nebukadnezars droom niet mededelen noch uitleggen (1-13)
B. Daniël openbaart de droom en legt hem uit; geeft de eer aan God (14-28)
1. Beeldt wereldmachten af, te beginnen met Babylon en eindigend met de vernietiging door Gods koninkrijk (29-45)
2. Daniël wordt over alle wijzen aangesteld en tot heerser over heel het rechtsgebied Babylon gemaakt; drie metgezellen in bestuursfuncties aangesteld (46, 48, 49)
C. Nebukadnezar roemt Daniëls God (47)
III. Rechtschapenheid van Hananja (Sadrach), Misaël (Mesach) en Azarja (Abednego) (hfdst. 3)
A. Kolossaal gouden beeld van 60 el hoog wordt opgericht; alle beambten opgeroepen om ervoor te buigen (1-7)
B. Drie jonge Hebreeën weigeren te buigen (8-18)
1. In de bovenmatig verhitte oven geworpen; dienaren door hitte gedood (19-23)
2. Iemand gelijk „een zoon der goden” wordt bij de drie mannen in de oven gezien (24, 25)
3. Ongedeerd en onverzengd eruit gehaald (26, 27)
C. Nebukadnezar roemt God; vaardigt een wet uit die het verbiedt ook maar iets ten nadele van God te zeggen (28-30)
IV. Nebukadnezars droom van de grote boom (hfdst. 4)
A. Hoogte reikt tot aan de hemel; voor de gehele aarde zichtbaar; verschaft voedsel en beschutting (1-12)
B. Wachter gebiedt hem om te hakken; wortelstomp in de aarde gelaten, met ijzer en koper gebonden (13-17)
C. Daniël legt de droom uit, past hem op Nebukadnezar toe (18-27)
D. Gaat in vervulling door krankzinnigheid van Nebukadnezar; hij wordt „zeven tijden” als een beest (28-33)
E. Nebukadnezar krijgt zijn verstand terug; wordt weer op de troon geplaatst; roemt, verhoogt, verheerlijkt God; beseft dat God heerser is onder het heerleger der hemelen en in het koninkrijk der mensheid en dat hij het geeft aan wie hij wil (34-37)
V. Handschrift op de muur (hfdst. 5)
A. Belsazar ontwijdt tempelvaten bij feestmaal voor 1000 rijksgroten (1-4)
B. Hand verschijnt en schrijft op het pleisterwerk van de wand woorden die de mannen aan het hof van Belsazar niet kunnen lezen noch uitleggen (5-9)
C. Koningin geeft Belsazar de raad Daniël te roepen (10-12)
D. Daniël legt uit dat de woorden betekenen dat Belsazars koninkrijk aan de Meden en de Perzen is gegeven; Daniël wordt tot derde heerser in het koninkrijk gemaakt (13-29)
E. Belsazar wordt die nacht gedood; Darius de Meder neemt de heerschappij over (30, 31)
VI. Daniël in de leeuwekuil (hfdst. 6)
A. Hoogwaardigheidsbekleders en satrapen benijden Daniël wegens zijn toenemende aanzien bij koning Darius (1-3)
1. Zoeken een voorwendsel tegen hem op grond van de wet van zijn God (4, 5)
2. Bewegen Darius ertoe te gebieden dat er 30 dagen lang geen smeekbede tot enige god of mens behalve de koning gericht mag worden (6-9)
3. Daniëls rechtschapenheid op de proef gesteld
a. Blijft ondanks het decreet dagelijks bidden (10-15)
b. Wordt in de leeuwekuil geworpen; God bevrijdt hem door de muil der leeuwen te sluiten (16-23)
4. De samenzweerders worden met zonen en vrouwen in leeuwekuil geworpen en komen om (24)
B. Darius vaardigt decreet uit dat het volk de God van Daniël moet vrezen (25-28)
VII. Opmars der wereldmachten (hfdst. 7, 8)
A. Wereldmachten, te beginnen met Babylon, afgebeeld door leeuw, beer, luipaard en verschrikkelijk beest met tien horens (hfdst. 7)
B. Kleine horen overwint drie andere, spreekt grandioze dingen (7:8)
1. Probeert Gods bestemde tijd voor de Koninkrijksheerschappij te veranderen (7:20-22, 24, 25)
2. Strijdt tegen Gods heiligen. Zij worden voor een periode van drie en een halve tijd in zijn hand gegeven (7:25)
C. Koninkrijk door „Oude van Dagen” aan mensenzoon gegeven; verschrikkelijke beest en zijn kleine horen wordt heerschappij ontnomen en het beest wordt aan het vuur overgegeven; Koninkrijk heerst voor eeuwig over alle koninkrijken en heerschappijen (7:9-14, 26-28)
D. Ram, geitebok en kleine horen beelden de wereldmachten af die Babylon zullen opvolgen (8:1-7)
1. Tweehoornige ram Medo-Perzische Rijk (8:20)
2. Geitebok Griekse Rijk (8:21)
3. Griekse Rijk valt uiteen in vier koninkrijken (8:8, 22)
4. Kleine horen staat op tegen de Vorst der vorsten (8:9-11, 23-25)
a. 2300 dagen vanaf het verwijderen van het „bestendige kenmerk” en „de overtreding die verwoesting veroorzaakt”, totdat de heilige plaats in haar juiste toestand wordt gebracht (8:12-14)
b. Horen wordt „zonder hand” gebroken (8:25b)
c. Engel Gabriël verklaart dat het visioen nog niet onthuld zal worden, want het is „nog voor vele dagen” (8:26, 27)
VIII. Zeventig (jaar)weken (hfdst. 9)
A. Daniël onderscheidt dat de bevrijding van de joden nabij is, na 70 jaar (1, 2)
B. Hij belijdt God de zonden van de natie, smeekt om vergeving ter wille van Jehovah’s naam (3-19)
C. Gabriël deelt hem het visioen mee van de 70 weken, die geteld moeten worden vanaf het decreet om Jeruzalem te herbouwen (20-25)
1. Zeven weken totdat Jeruzalem volledig herbouwd is (25)
2. Nog eens 62 weken tot de komst van de Messias (26)
a. Overtreding beëindigd; verzoening gedaan (24a)
b. Eeuwige rechtvaardigheid ingevoerd; Heilige der Heiligen gezalfd (24b)
3. (Abrahamitische) verbond één week uitsluitend voor de joden van kracht; Messias afgesneden, op de helft van de week doet hij slachtoffer en offergeschenk ophouden (26a, 27a)
4. Daarna worden stad en heilige plaats verwoest (26b, 27b)
IX. Daniël wordt door een engel bezocht, die uitgezonden is met een visioen over het „laatst der dagen” (hfdst. 10, 11)
A. De engel ondervindt 21 dagen lang tegenstand van de (demonen)vorst van Perzië; Michaël komt hem te hulp (10:13)
1. Daniël wordt gesterkt om het visioen te ontvangen dat hem wordt meegedeeld door de engel die later met de vorst van Perzië moet strijden en ook de vorst van Griekenland het hoofd moet bieden (10:7-12, 15-20)
2. Michaël, de vorst van Daniëls volk, staat Gods engel bij (10:21)
B. De koning van het noorden en de koning van het zuiden (hfdst. 11)
1. Nadat de opvolger van Perzië (Alexander de Grote) is gevallen, wordt het koninkrijk verdeeld; de koning van het zuiden wordt sterk, verslaat koning van het noorden (11:1-12)
2. Koning van het noorden heeft lange tijd de overhand (11:13-26)
3. Koning van het zuiden verslaat koning van het noorden (11:27-30a)
4. Koning van het noorden sluit verbond met degenen die het heilig verbond verlaten en strijdt tegen Gods volk, maar kan het niet verdelgen (11:30b-31a, 32)
5. Walgelijke ding dat verwoesting veroorzaakt, wordt ’geplaatst’ (11:31b)
6. Gods volk ondergaat grote beproevingen, maar ontvangt hulp (11:33-35)
7. Koning van het noorden wordt machtig, spreekt tegen God, verheft zich en laat zich aanbidden, maar aanbidt zelf „de god der vestingen” (11:36-39)
8. In de tijd van het einde komt de koning van het zuiden met de koning van het noorden in botsing (11:40a)
a. Koning van het noorden overstroomt vele landen, trekt ook het Sieraadland (van Jehovah’s volk) binnen (11:40b-43)
b. Berichten uit het oosten en het noorden ontstellen de koning van het noorden; hij plant zijn tenten tussen de heilige berg en de zee, komt aan zijn eind (11:44, 45)
C. Kenmerken van de tijd van het einde (hfdst. 12)
1. Michaël, de vorst van Daniëls volk, staat op (1-3)
a. Moeilijkste tijd voor de wereld (1)
b. Velen ontwaken tot eeuwig leven of tot eeuwige smaad en afschuw (2)
c. Degenen die inzicht hebben, stralen; brengen velen tot rechtvaardigheid (3)
2. Kennis van het boek zal overvloedig worden, nadat het lange tijd verzegeld gehouden is (4-9)
a. Velen reinigen zich, worden gelouterd (10a)
b. Goddelozen hebben geen begrip (10b)
3. Tijdsperiodes
a. Drie en een halve tijd totdat er een eind is gemaakt aan het verpletteren van de macht van het heilige volk (7)
b. 1290 dagen vanaf het verwijderen van het bestendige kenmerk en het plaatsen van het walgelijke ding (11)
c. Geluk aan het einde van 1335 dagen (12)
4. Daniël zal sterven en zal opstaan tot zijn bestemming aan het einde der dagen (13)