Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • ad blz. 271-272
  • Damaskus

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Damaskus
  • Hulp tot begrip van de bijbel
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • GESCHIEDENIS
  • Bestrijdt Israël
  • Jehovah’s strafgerichten over Damaskus
  • In de eerste eeuw G.T.
  • Damaskus
    Inzicht in de Schrift, Deel 1
  • Damaskus — Een woestijnjuweel
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1964
  • Saulus en Damaskus
    Nieuwewereldvertaling van de Bijbel (studie-uitgave)
  • Syrië — Sporen uit een interessant verleden
    Ontwaakt! 2003
Meer weergeven
Hulp tot begrip van de bijbel
ad blz. 271-272

DAMASKUS

(Dama̱skus).

Een zeer oude en belangrijke stad in Syrië. Damaskus ligt aan de voet van de bergketen van de Anti Libanon en aan de rand van de zich naar het O. uitstrekkende Arabisch-Syrische Woestijn (Hoogl. 7:4). Ten Z.W. van de stad verheft zich de 2814 m hoge, met sneeuw bedekte berg Hermon, die het zuideinde van de Anti Libanon vormt.

Damaskus ligt in een vlakte op een ongeveer 700 m hoog plateau en heeft een aangenaam klimaat met een gemiddelde temperatuur die varieert van 7 °C in de winter tot ongeveer 30 °C in de zomer. De zeer vruchtbare grond levert een goede oogst aan olijven, vijgen en abrikozen, en ook koren gedijt er goed. Maar de stad had haar welvaart in de eerste plaats te danken aan haar gunstige ligging als verkeersknooppunt en als handelscentrum van nomadische stammen. In dit opzicht concurreerde ze met Petra. De profeet Ezechiël noemt Damaskus een ’koopman van Tyrus’ omdat Damaskus kennelijk wijn uit de naburige stad Helbon en roodgrijze wol verhandelde in ruil voor Tyrus’ exportgoederen (Ezech. 27:18). Ben-Hadads aanbod aan koning Achab om Israël bepaalde „straten” in Damaskus toe te wijzen, had waarschijnlijk betrekking op zekere commerciële rechten die Israël werden verleend om internationale handelsbetrekkingen te onderhouden. — 1 Kon. 20:34.

GESCHIEDENIS

Josephus (De joodse geschiedenis, I, vi, 4), die de traditionele joodse opvatting weergeeft, schrijft dat Damaskus door Uz, de zoon van Aram en kleinzoon van Sem, werd gesticht. Er zijn echter aanwijzingen dat de nakomelingen van Uz zich zuidelijker vestigden (Gen. 10:21-23; zie UZ). Abraham trok op weg naar het Beloofde Land vermoedelijk door of langs Damaskus. Eliëzer, de dienstknecht van de kinderloze Abraham, was een „man van Damaskus” (Gen. 15:2). Abraham achtervolgde de binnenvallende koningen die zijn neef Lot gevangen hadden genomen, tot het ten N. van Damaskus gelegen Hoba toe om hem uit hun hand te bevrijden. — Gen. 14:1-16.

Bestrijdt Israël

Daarna verdwijnt Damaskus bijna 1000 jaar uit het bijbelse verslag en wanneer het er opnieuw in verschijnt, is het gewoonlijk als een tegenstander van de natie Israël. Tegen die tijd was de stad het middelpunt van een van de vele Aramese rijken van Syrië geworden. Toen David tegen de koning van Zoba streed en hem versloeg, kwam „Syrië van Damaskus” de verslagenen te hulp. David versloeg de Syriërs eveneens, plaatste garnizoenen in het Damascener koninkrijk en maakte Damaskus schatplichtig aan Israël (2 Sam. 8:3-6; 1 Kron. 18:5, 6). Maar tijdens Salomo’s regering verkreeg Rezon, een vluchteling uit het Aramese rijk Zoba, de heerschappij over Damaskus en wierp zich tot koning op. Zijn haat tegen Israël kwam tot uitdrukking in herhaalde aanvallen. — 1 Kon. 11:23-25.

Nadat koning Ben-Hadad I van Damaskus een verbond met Baësa, de koning van het noordelijke koninkrijk Israël, had gesloten, liet hij zich door koning Asa van Juda (977–937 v.G.T.) omkopen en viel het gebied van zijn vroegere bondgenoot binnen (1 Kon. 15:18-20; 2 Kron. 16:2-4). Zijn opvolger, Ben-Hadad II, drong aan het hoofd van een coalitie van 32 koningen tweemaal het noordelijke koninkrijk Israël binnen, maar werd beide keren verslagen (1 Kon. 20:1, 16-22, 26-34). Bij de tweede aanval werd Ben-Hadad door koning Achab (ca. 940–919 v.G.T.) gevangengenomen, maar vervolgens weer vrijgelaten. Later streed hij in de slag bij Ramoth-Gilead aan het hoofd van zijn strijdwagens tegen de gecombineerde strijdkrachten van Juda en Israël en versloeg hen, waarbij Achab de dood vond (1 Kon. 22:29-37). Tijdens de regering van Joram van Israël (ca. 917–905) ondernam Ben-Hadad II een laatste poging om Samaria in te nemen, doch werd door een wonder op de vlucht gedreven. — 2 Kon. 6:24; 7:6, 7.

Teneinde de opdracht te vervullen die zijn voorloper Elia gekregen had, ging de profeet Elisa naar Damaskus en deelde Hazaël mee dat hij Ben-Hadad II als koning van Syrië zou opvolgen (1 Kon. 19:15; 2 Kon. 8:7-13). Vóór Ben-Hadads dood was Damaskus de haard van het Syrische verzet tegen de uitbreiding van het Assyrische Rijk, dat eropuit was de landen aan de Middellandse Zee aan zich te onderwerpen. Als knooppunt aan de belangrijkste weg van Mesopotamië naar de Middellandse Zee vormde Damaskus destijds het voornaamste doelwit van aanvallen. Aan het hoofd van een coalitie van naburige koninkrijken bood Damaskus met enig succes weerstand aan een reeks aanvallen door Salmaneser III van Assyrië. Een van Salmanesers inscripties vermeldt de wederrechtelijke inbezitneming van de Syrische troon door Hazaël. Na een zware strijd sloot Salmaneser Hazaël in Damaskus in en belegerde de stad, maar kon haar niet innemen.

Als koning van Damaskus voerde Hazaël voortdurend een anti-Israël politiek (2 Kon. 10:32). Hij strekte de Damascener macht tot de Filistijnse stad Gath uit, viel zelfs Juda binnen en bracht Joas, de koning van Juda (898–858 v.G.T.), zo in het nauw dat hij een enorme schatting betaalde om een Syrische aanval op Jeruzalem af te wenden (2 Kon. 12:17, 18; 13:3, 22; 2 Kron. 24:23, 24). Onder Hazaëls opvolger, Ben-Hadad III, drukte het Damascener juk wat minder zwaar op Israël daar koning Joas van Israël (ca. 859–844 v.G.T.) Syrië driemaal een nederlaag toebracht (2 Kon. 13:24, 25). Vervolgens drong Jerobeam II van Israël (ca. 844–803 v.G.T.) diep in Syrisch gebied door, tot aan de „toegang van Hamath”, en ’bracht Damaskus en Hamath aan Juda in Israël terug’ (2 Kon. 14:23-28). Over het algemeen wordt aangenomen dat hiermee wordt bedoeld dat deze koninkrijken schatplichtig werden, zoals dit onder David en Salomo het geval was geweest. — 1 Kon. 4:21.

Jehovah’s strafgerichten over Damaskus

Een eeuw later treedt Damaskus echter weer als „het hoofd van Syrië” op (Jes. 7:8). Tijdens de regering van koning Achaz van Juda (761–745 v.G.T.) rukten Rezin van Damaskus en Pekah van Israël als bondgenoten met hun troepen door Juda naar Elath aan de Golf van Akaba op. Dit maakte koning Achaz zo bang dat hij Tiglath-Pileser III, de koning van Assyrië, een omkoopgeschenk zond met het verzoek het Syrische gevaar van Juda af te wenden. Bereidwillig deden de Assyriërs een aanval op Damaskus, namen het in, brachten Rezin ter dood en voerden vele Damasceners in ballingschap (2 Kon. 16:5-9; 2 Kron. 28:5, 16). Daardoor gingen Jehovah’s bij monde van Jesaja en Amos geuite profetieën in vervulling (Jes. 8:4; 10:5, 8, 9; Amos 1:3-5). Toen Achaz naar Damaskus ging om Tiglath-Pileser te ontmoeten (en hem waarschijnlijk hulde te brengen), zag hij daar een altaar dat aan de valse aanbidding was gewijd. Dwaas genoeg liet hij het namaken en bracht later op dit altaar slachtoffers aan de „goden van Damaskus”. — 2 Kon. 16:10-13; 2 Kron. 28:23.

Daarna vormde Damaskus nooit meer een gevaar voor Israël. Zoals uit Ezechiëls profetie blijkt, werd de stad ondanks haar militaire zwakte toch kennelijk weer een belangrijk handelscentrum (Ezech. 27:18). Volgens de profetie van Jeremia zou ook het eens zo hooglijk geprezen Damaskus tengevolge van het slechte bericht uit Hamath en Arpad (Noord-Syrië) in benauwdheid geraken, waarbij waarschijnlijk gedoeld wordt op het bericht over de wrede verovering van de Aramese rijken door de oprukkende Babylonische legers van Nebukadnezar (Jer. 49:23-27). Damaskus, het juweel van de woestijn, zou niet aan de gevolgen van die veroveringsveldtocht ontkomen. Later wordt Damaskus nog genoemd in een oordeelsprofetie die door Jehovah’s profeet Zacharia werd geuit. Deze in 518 v.G.T. opgetekende profetie ging waarschijnlijk in de dagen van Alexander de Grote in vervulling, die na zijn overwinning in de slag bij Issus in 333 v.G.T., Syrië en Fenicië bezette. — Zach. 9:1-4.

In de eerste eeuw G.T.

Toen Saulus van Tarsus op weg was naar Damaskus om de christenen te vervolgen, waren er in deze stad een aantal joodse synagogen (Hand. 9:1, 2). Damaskus behoorde destijds tot het gebied van de Nabateeïsche koning Aretas IV en stond onder een aangestelde bestuurder (2 Kor. 11:32, 33). De blinde Saulus werd na zijn bekering naar een huis geleid dat zich in de straat bevond die „de Rechte” werd genoemd. Deze straat loopt dwars door de hele stad Damaskus, bijna door haar centrum, en werd destijds waarschijnlijk door prachtige zuilen omzoomd. Paulus (Saulus) predikte een tijdlang in de synagogen van Damaskus, maar een aanslag op zijn leven maakte het noodzakelijk dat hij ’s nachts door een opening in de stadsmuur vluchtte. — Hand. 9:11, 17-25; 26:20; Gal. 1:16, 17.

[Illustratie op blz. 271]

Het huidige Damaskus

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen