Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • ad blz. 264-267
  • Cyrus

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Cyrus
  • Hulp tot begrip van de bijbel
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • VEROVERING VAN BABYLON
  • Begin van de Arische wereldheerschappij
  • CYRUS’ DECREET VOOR DE TERUGKEER VAN DE JOODSE BALLINGEN
  • Cyrus
    Inzicht in de Schrift, Deel 1
  • Cyrus de Grote
    Ontwaakt! 2013
  • Basis voor vertrouwen in de profetieën
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1965
  • Babylons val veroorzaakt een kentering in de geschiedenis
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1965
Meer weergeven
Hulp tot begrip van de bijbel
ad blz. 264-267

CYRUS

(Cy̱rus) [Hebreeuws: Kōʹresj; Grieks: Kuʹros].

De stichter van het Perzische Rijk en de veroveraar van Babylon; „Cyrus de Grote” genaamd om hem van Cyrus I, zijn grootvader, te onderscheiden.

Na zijn verovering van het Babylonische Rijk zei Cyrus volgens het als de Cyruscilinder bekendstaande spijkerschriftdocument: „Ik ben Cyrus, de koning der wereld, de grote koning, de rechtmatige koning, koning van Babylon, koning van Soemer en Akkad, koning van de vier windstreken (der aarde), zoon van Cambyses (Ka-am-bu-zi-ia), de grote koning, koning van Anzan, kleinzoon van Cyrus [I], . . . nakomeling van Teispes, . . . van een familie (die) een eeuwig koningschap (uitoefent)” (Ancient Near Eastern Texts, door James B. Pritchard, 1955, blz. 316). Cyrus stamde derhalve uit het geslacht der koningen van Anzan, een stad (of district) waarvan de ligging niet precies bekend is. Volgens sommigen moet Anzan in de bergen ten N. van Elam gelegen hebben, maar over het algemeen wordt aangenomen dat het ten O. van Elam lag. Dit koningsgeslacht werd naar Achaemenes, de vader van Teispes, het geslacht der „Achaemeniden” genoemd.

Over de jeugdjaren van Cyrus (II) is weinig bekend. Hiervoor is men grotendeels aangewezen op de nogal fantastische verslagen van Herodotus (een Griekse geschiedschrijver uit de 5de eeuw v.G.T.) en Xenophon (nog een Griekse schrijver, die ongeveer een halve eeuw later leefde). Beiden vermelden echter dat Cyrus de zoon was van de Perzische heerser Cambyses bij zijn vrouw Mandane, de dochter van Astyages, de koning der Meden (Herodotus, I, 107; Cyropaedie, I, ii, 1). Deze bloedverwantschap van Cyrus met de Meden wordt door Ctesias, nog een Griekse geschiedschrijver uit dezelfde periode, bestreden. Hij beweert dat Cyrus de schoonzoon van Astyages werd door diens dochter Amytis te huwen.

Cyrus besteeg na zijn vader Cambyses I de troon van Anzan, dat destijds onder de suzereiniteit van de Medische koning Astyages stond. Volgens Africanus (3de eeuw G.T.) en Diodorus (1ste eeuw v.G.T.) begon Cyrus in het 1ste jaar van de 55ste olympiade, ofte wel in 560/559 v.G.T., te regeren. Herodotus verhaalt dat Cyrus daarna tegen de Medische heerschappij in opstand kwam en als gevolg van het feit dat de troepen van Astyages deserteerden, een gemakkelijke overwinning kon behalen en Ekbatana, de hoofdstad van de Meden, veroverde. Volgens de Naboniduskroniek geschiedde dit in het 6de jaar van de regering van Nabonidus (550 v.G.T. in de wereldlijke geschiedenis). Daarin wordt over koning Isjtumegu (Astyages) gezegd: „[Hij] riep zijn troepen op en trok tegen Cyrus, de koning van Anzan, op teneinde [hem te be]strijden. Het leger van Isjtumegu [Astyages] kwam tegen hem in opstand en zij le[verden hem] geboeid aan Cyrus uit.” Cyrus wist de Meden voor zich te winnen en daarna streden Meden en Perzen gezamenlijk onder zijn aanvoering. In de daaropvolgende jaren onderwierp hij het westelijke deel van het Medische Rijk aan zijn heerschappij en rukte helemaal tot de oostgrens van het Lydische Rijk, tot de rivier de Halys (Kizil Irmak) in Klein-Azië, op.

Toen de rijke koning Croesus van Lydië met het dreigende gevaar van deze nieuwe Perzische heerser werd geconfronteerd, sloot hij volgens Herodotus een politiek bondgenootschap met koning Nabonidus van Babylon en farao Amasis II van Egypte, alsook met de Spartanen van Griekenland. Voordat deze bondgenoten de Lydiërs onder Croesus echter militaire hulp konden bieden, versloeg Cyrus hen en veroverde Sardes. Vervolgens onderwierp hij de Ionische steden en lijfde heel Klein-Azië bij het Perzische Rijk in. Op deze wijze was Cyrus in slechts enkele jaren de voornaamste rivaal van Babylon en zijn koning Nabonidus geworden.

VEROVERING VAN BABYLON

Cyrus maakte zich nu gereed voor een confrontatie met het machtige Babylon, en vooral vanaf dit punt speelt hij een rol in de vervulling van bijbelse profetieën. Toen Jesaja onder inspiratie het herstel van Jeruzalem en zijn tempel voorzei, noemde hij de naam van deze Perzische heerser, die er door Jehovah God toe bestemd was Babylon omver te werpen en de daar in ballingschap verkerende joden te bevrijden (Jes. 44:26-45:7). Ofschoon deze profetie veel meer dan anderhalve eeuw voordat Cyrus aan de macht kwam, werd opgetekend, en Cyrus ten tijde dat Juda woest kwam te liggen, waarschijnlijk nog niet eens geboren was, maakte Jehovah toch bekend dat Cyrus als Zijn „herder” ten behoeve van het joodse volk zou optreden. (Vergelijk Romeinen 4:17.) Aangezien Cyrus er van tevoren toe bestemd was deze rol te vervullen, kon hij als Jehovah’s „gezalfde” (een vorm van het Hebreeuwse ma·sjiʹach [messias] en het Griekse chrisʹtos [christus]) worden aangeduid (Jes. 45:1). Het feit dat God Cyrus reeds zo vroeg ’bij zijn naam riep’ (Jes. 45:4), betekent niet dat Hij hem bij zijn geboorte die naam gaf. Er wordt veeleer door te kennen gegeven dat Jehovah vooruit wist dat er een man met die naam zou opstaan, dat hij dus niet een naamloze man zou roepen, maar iemand die hij rechtstreeks en uitdrukkelijk bij naam noemde.

Zonder dat koning Cyrus, die waarschijnlijk het zoroastrisme aanhing, zich ervan bewust was, had Jehovah God hem figuurlijk gesproken ’bij zijn rechterhand gevat’ om hem te leiden of te sterken, hem te omgorden en voor hem de weg te bereiden en te effenen, opdat hij Gods voornemen — de verovering van Babylon — kon verwezenlijken (Jes. 45:1, 2, 5). Als Degene „die van het begin af de afloop vertelt, en van oudsher de dingen die niet gedaan zijn”, had de Almachtige God de menselijke aangelegenheden zo geleid dat zijn raad geheel volvoerd werd. Hij riep Cyrus „van de opgang der zon”, uit Perzië (ten O. van Babylon), waar Pasargadae lag, Cyrus’ meest geliefde residentie. Cyrus moest zich met de snelheid van een „roofvogel” op Babylon storten (Jes. 46:10, 11). Het is opmerkelijk dat The Encyclopædia Britannica (1911, Deel 10, blz. 454b) zegt: „De Perzen droegen een aan het uiteinde van een lans bevestigde adelaar, en ook de zon werd als hun godheid op hun standaarden afgebeeld, die . . . door de dapperste mannen van het leger angstvallig werden bewaakt.”

Volgens de bijbelse profetieën aangaande Cyrus’ verovering van Babylon zouden ’de waterdiepte en de rivieren uitdrogen en de poorten niet gesloten zijn’; de stad zou plotseling, zonder weerstand van de Babylonische soldaten, worden ingenomen (Jes. 44:27; 45:1, 2; Jer. 50:35-38; 51:30-32). Herodotus vermeldt dat Babylon door een diepe, brede gracht omgeven was. Talrijke bronzen (of koperen) poorten in de binnenmuren langs de Eufraat, die Babylon in twee delen verdeelde, verschaften toegang tot de stad. Volgens Herodotus belegerde Cyrus de stad en „leidde hij de rivier naar het meer [het kunstmatige meer dat koningin Nitocris vermoedelijk vroeger had aangelegd], dat een moeras geworden was en maakte zo, doordat het water wegstroomde, de oude rivierbedding doorwaadbaar. Zodra dit gebeurde . . . trokken de Perzen, die juist met dit doel waren opgesteld, door de bedding van de Euphraat Babyloon binnen. Als de Babylooniërs nu maar hadden gehoord of beseft wat Kyros [Cyrus] in zijn schild voerde, zouden ze niet lijdelijk hebben toegelaten, dat de Perzen hun stad binnendrongen, maar hen smadelijk in de pan gehakt hebben. Immers, door alle poorten, die op de rivier uitkwamen, te sluiten en zelf op de dijken post te vatten, die langs de rivieroevers waren aangelegd, zouden ze hen als het ware in een fuik hebben gevangen. Nu evenwel stonden de Perzen onverwachts voor hun neus. Tengevolge van de grootte der stad zouden de Babylooniërs, die in het midden van de stad woonden, . . . er niets van gemerkt hebben, dat de buitenste delen reeds in handen van de Perzen waren; ze vierden namelijk een feest en waren in die tijd bezig met dansen en zich te goed doen, totdat ze het maar al te duidelijk bemerkten. [Vergelijk Daniël 5:1-4, 30; Jeremia 50:24; 51:31, 32.] Zo was dan Babyloon . . . veroverd.” — De Historiën van Herodotus, I, 191, vertaald door dr. Onno Damsté.

Hoewel de verslagen van Xenophon en Herodotus enigszins verschillen wanneer het op details aankomt, stemmen ze in grote trekken overeen. Xenophon vermeldt dat Cyrus het bijna voor onmogelijk hield Babylons kolossale muren te bestormen en verhaalt vervolgens hoe Cyrus de stad belegerde, dat hij het water van de Eufraat in greppels omleidde en toen — terwijl de stad in feeststemming verkeerde — zijn troepen beval voorbij de stadsmuur door de rivierbedding omhoog te trekken. De troepen onder bevel van Gobryas en Gadatas overrompelden de bewakers en drongen de poorten van het paleis binnen. In één nacht werd de stad veroverd en de koning gedood. De volgende morgen gaven de Babylonische soldaten die de verschillende burchten bezet hielden, zich over. — Cyropaedie, VII, v, 33; vergelijk Jeremia 51:30.

De joodse geschiedschrijver Josephus geeft over Cyrus’ verovering een verslag van de Babylonische priester Berossos (uit de 3de eeuw v.G.T.) weer. Daarin staat het volgende: „In het zeventiende jaar zijner [Nabonidus’] regeering trok Cyrus, nadat hij met een groot leger Perzië verlaten en het geheele overige Azië onderworpen had, tegen Babylonië op. Op het bericht zijner nadering rukte Nabonnedus hem met zijn leger te gemoet, leverde hem een veldslag, maar werd verslagen. Met slechts weinigen der zijnen ontvluchtte hij en sloot zich in de stad Borsip [een zusterstad van Babylon] op. Cyrus nu veroverde Babylon, liet de buitenmuren der stad slechten, daar zij hem veel werk gegeven en de stad moeielijk te nemen gemaakt hadden, en begaf zich daarop naar Borsip om Nabonnedus te belegeren. Deze gaf zich zonder wederstand te bieden over en werd daarom welwillend door Cyrus behandeld; hij zond hem vervolgens uit Babylonië naar Carmanië, dat hij hem tot woonplaats aanwees. In dit land bracht Nabonnedus het overige zijns levens door en stierf” (Tegen Apion, I, 20). Dit verslag verschilt vooral van de andere in hetgeen er over Nabonidus’ optreden en Cyrus’ handelwijze ten aanzien van hem wordt gezegd. Het stemt echter overeen met het bijbelse verslag dat niet Nabonidus, maar Belsazar de koning was die in de nacht waarin Babylon viel, werd gedood.

Hoewel de spijkerschrifttabletten die door archeologen zijn gevonden, geen bijzonderheden over de verovering van Babylon vermelden, bevestigen ze wel dat de stad plotseling voor Cyrus gevallen is. Volgens de Naboniduskroniek viel Cyrus de Babylonische strijdkrachten in de maand Tisjri (september/oktober) van Nabonidus’ laatste regeringsjaar (539 v.G.T.) bij Opis aan en versloeg ze. De inscriptie vervolgt: „Op de 14de dag werd Sippar zonder strijd ingenomen. Nabonidus vluchtte. Op de 16de dag trokken Gobryas (Ugbaru), de stadhouder van Gutium, en het leger van Cyrus zonder strijd Babylon binnen. Nadien werd Nabonidus in Babylon gevangengenomen toen hij (daar) terugkeerde. . . . In de maand Arahsjamnu [Marchesvan (oktober/november)], op de 3de dag, trok Cyrus Babylon binnen.” Op grond van deze inscriptie kan de datum van Babylons val op 16 Tisjri (5/6 oktober) van het jaar 539 v.G.T. worden gesteld, en 17 dagen later, op 3 Marchesvan (22/23 oktober), trok Cyrus de stad binnen.

Begin van de Arische wereldheerschappij

Door deze overwinning maakte Cyrus een eind aan de Semitische heerschappij in Mesopotamië en het Midden-Oosten en stichtte hij de eerste wereldmacht van Arische oorsprong. De Cyruscilinder — een spijkerschriftdocument dat volgens geschiedschrijvers werd opgetekend om in Babylon te worden bekendgemaakt — is sterk religieus getint en laat zien dat Cyrus de eer voor zijn overwinning aan Mardoek, de oppergod van Babylon, toeschreef: „Hij [Mardoek] ging in alle landen zorgvuldig op zoek naar een rechtvaardig vorst die bereid was hem . . . [bij de jaarlijkse processie] te geleiden. (Toen) sprak hij de naam uit van Cyrus (Ku-ra-as), de koning van Anzan, benoemde hem (lett.: sprak [zijn] naam uit) tot heerser over de gehele wereld. . . . Mardoek, de grote heer, de beschermer van zijn volk/aanbidders, zag vol vreugde zijn (d.w.z. Cyrus’) goede daden en zijn rechtvaardige gemoed (lett.: hart) (en) beval hem (daarom) op te trekken tegen zijn stad Babylon (Ka.dingir.ra). Hij bracht hem ertoe de weg naar Babylon (DIN.TIRki) in te slaan en ging als een echte vriend aan zijn zijde. Zijn wijd verspreide troepen — waarvan het aantal als de wateren van een rivier niet vast te stellen was — trokken op hun gemak en met hun wapens weggeborgen mee. Zonder enige strijd liet hij hem zijn stad Babylon (Su.an.na) binnentrekken en spaarde Babylon (Ka.dingir.raki) voor enige rampspoed.” — Ancient Near Eastern Texts, door James B. Pritchard, 1955, blz. 315.

Maar ondanks deze heidense interpretatie van de gebeurtenissen toont de bijbel dat Cyrus de ware toedracht van de zaak erkende, want in zijn decreet waarin het de in ballingschap verkerende joden werd toegestaan naar Jeruzalem terug te keren en daar de tempel te herbouwen, zei hij: „Alle koninkrijken van de aarde heeft Jehovah, de God van de hemel, mij gegeven, en hijzelf heeft mij opgedragen hem een huis te bouwen in Jeruzalem, dat in Juda is” (Ezra 1:1, 2). Dit betekent natuurlijk niet dat Cyrus zich tot het jodendom bekeerde; er wordt slechts door te kennen gegeven dat hij op de hoogte was van wat de bijbel over zijn overwinning zei. Met het oog op de hoge bestuursfunctie die Daniël zowel vóór als na de val van Babylon bekleedde (Dan. 5:29; 6:1-3, 28), is het hoogst onwaarschijnlijk dat Cyrus niet in kennis was gesteld van de profetieën die Jehovah’s profeten hadden opgetekend en bekendgemaakt, met inbegrip van Jesaja’s profetie waarin Cyrus’ naam uitdrukkelijk wordt vermeld. Betreffende de eerder genoemde Cyruscilinder wordt erkend dat bij de samenstelling van dit spijkerschriftdocument behalve de koning ook nog anderen betrokken geweest kunnen zijn. G. Ernest Wright schrijft in zijn boek Biblical Archaeology (blz. 200) dat ’de koning of de kanselarij dit document samenstelde’. (Vergelijk het soortgelijke geval in verband met Darius in Daniël 6:6-9.) Dr. Emil G. Kraeling (Rand McNally Bible Atlas, blz. 328) noemt de Cyruscilinder „een door de Babylonische priesters samengesteld propagandadocument”. Het kan inderdaad onder de invloed van de Babylonische priesterschap zijn ontstaan (zie Pritchards Ancient Near Eastern Texts, blz. 315, voetn. 1). De priesters wilden daardoor mogelijkerwijs verdoezelen dat Mardoek (ook bekend als Bel) en de andere Babylonische goden de stad niet hadden kunnen redden, waarbij zij zelfs zo ver gingen dat zij aan Mardoek toeschreven wat Jehovah had gedaan. — Vergelijk Jesaja 46:1, 2; 47:11-15.

CYRUS’ DECREET VOOR DE TERUGKEER VAN DE JOODSE BALLINGEN

Toen Cyrus door zijn decreet de joden uit hun ballingschap vrijliet, vervulde hij de opdracht die hij als Jehovah’s ’gezalfde herder’ ten behoeve van Israël had ontvangen (2 Kron. 36:22, 23; Ezra 1:1-4). De proclamatie werd uitgevaardigd „in het eerste jaar van Cyrus, de koning van Perzië”, waarmee het eerste jaar van zijn heerschappij over het veroverde Babylon wordt bedoeld. Het bijbelse verslag verwijst in Daniël 9:1 naar „het eerste jaar van Darius”, dat schijnbaar in de tijd tussen de val van Babylon en „het eerste jaar van Cyrus” als heerser over Babylon viel. Dit zou betekenen dat het eerste jaar van Cyrus pas tegen het einde van het jaar 538 v.G.T. begon. Zelfs al zou Darius als onderkoning samen met Cyrus over Babylon geregeerd hebben, dan nog zou volgens Babylonisch gebruik het eerste regeringsjaar van Cyrus van Nisan 538 tot Nisan 537 v.G.T. hebben geduurd.

Met het oog op het bijbelse verslag moet Cyrus’ decreet, waardoor de joden werden vrijgelaten om naar Jeruzalem terug te keren, tegen het einde van het jaar 538 of het begin van 537 v.G.T. zijn uitgevaardigd. Hierdoor zouden de joodse ballingen tijd hebben gehad om zich op de uittocht uit Babylon voor te bereiden en vervolgens de lange reis naar Juda en Jeruzalem (die volgens Ezra 7:9 ongeveer vier maanden geduurd kan hebben) te ondernemen en toch nog in de „zevende maand” (Tisjri) van het jaar 537 v.G.T. „in hun steden” gevestigd te zijn (Ezra 3:1, 6). Hiermee eindigden de voorzegde 70 jaar van de woestligging van Juda, die in dezelfde maand Tisjri van 607 v.G.T. waren begonnen. — 2 Kon. 25:22-26; 2 Kron. 36:20, 21.

Cyrus’ samenwerking met de joden vormde een schril contrast met de behandeling die zij vroeger van heidense heersers hadden ondervonden. Hij gaf hun de kostbare gebruiksvoorwerpen van de tempel terug, die Nebukadnezar naar Babylon had weggevoerd. De joden kregen ook de koninklijke toestemming om cederstammen van de Libanon in te voeren, en de bouwkosten moesten uit het huis van de koning worden bestreden (Ezra 1:7-11; 3:7; 6:3-5). Volgens de Cyruscilinder volgde de Perzische heerser tegenover de onderworpen volkeren van zijn machtsgebied over het algemeen een politiek die van menselijkheid en tolerantie getuigde. Volgens deze inscriptie zou hij het volgende gezegd hebben: „Ik gaf aan [bepaalde eerder genoemde] heilige steden aan gene zijde van de Tigris, waarvan de heiligdommen reeds lange tijd in puin lagen, de beelden terug die daar (plachten) te staan en richtte er permanente heiligdommen voor op. Ik bracht (ook) al hun (vroegere) inwoners bijeen en gaf (hun) hun woonplaatsen terug.” — Ancient Near Eastern Texts, door James B. Pritchard, 1955, blz. 316.

Buiten de in Ezra 1:1-4 aangehaalde proclamatie van de koning spreekt het bijbelse verslag over nog een document van Cyrus, een „memorandum”, dat in het huis van de archieven in Ekbatana (Medië) opgeborgen was en tijdens de regering van Darius de Pers gevonden werd (Ezra 5:13-17; 6:1-5). Over dit tweede document schrijft professor Wright: „[Het] wordt uitdrukkelijk een dikrona genoemd, een officiële Aramese uitdrukking voor een memorandum dat een mondelinge beslissing van de koning of een andere functionaris schriftelijk vastlegde en ervoor zorgde dat ze ten uitvoer werd gelegd. Het is nooit voor publikatie, maar enkel en alleen voor het oog van de bevoegde functionaris bestemd geweest, waarna het in de regeringsarchieven werd opgeborgen.” — Biblical Archaeology, blz. 200.

Men neemt aan dat Cyrus omstreeks 530 v.G.T. in een veldslag om het leven is gekomen, maar uit de verslagen daarover is dit niet duidelijk op te maken. Nog voordat Cyrus stierf, werd zijn zoon Cambyses klaarblijkelijk zijn mederegent, en na zijn dood volgde hij hem als alleenheerser op de Perzische troon op.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen