KOEKOEK.
[Hebreeuws: bar·boe·rimʹ (meervoud)].
Deze naam komt in de bijbel slechts eenmaal voor, en wel in 1 Koningen 4:23, waar in een opsomming van dagelijkse voedselvoorraden voor het hof van Salomo ook over „gemeste koekoeken” [bar·boe·rimʹ] wordt gesproken (NW; JB; NBG met verklarende kanttekeningen). De Hebreeuwse naam is waarschijnlijk net als de Nederlandse naam een roepnabootsing, want van de roep van het koekoekswijfje wordt gezegd dat het een klokkend geluid is zoals van „borrelend water met gutturale intonatie”.
De gewone koekoek en de kuifkoekoek komen op hun trek naar het noorden door Palestina en arriveren daar begin maart. De koekoek is een middelgrote vogel, lijkt op een sperwer of valk en heeft een licht gekromde, spitse snavel. De kop is gewoonlijk grijs, de lange, spits toelopende vleugels zijn bruin, de lange staart is gerond, en het onderlichaam en de dijen zijn grijs of bruin en gevlekt of gestreept.
Hoewel sommigen van mening zijn dat de koekoek te klein was om op Salomo’s menu voor te komen, dient men te beseffen dat in de oudheid op oosterse markten zelfs geplukte mussen werden verkocht (Matth. 10:29). Bovendien waren deze koekoeken ’gemest’, en hierover zegt The American Cyclopœdia (1883, Deel V, blz. 557): „In het najaar zijn ze vet en een zeer gewild voedsel; de Ouden waren er verzot op en aan het vlees ervan schreef men waardevolle geneeskrachtige eigenschappen toe.” Van de Romeinen is bekend dat zij gevulde koekoeken aten, en naar verluidt worden koekoeken zelfs tot op heden in Italië en Griekenland als een delicatesse beschouwd.