KOE.
De koe was bij de Israëlieten van grote economische betekenis. Ze diende niet alleen als trekdier, maar werd ook vanwege haar melkproduktie gewaardeerd. Uit de melk werden weer andere levensmiddelen vervaardigd, zoals kaas, boter en karnemelk (Num. 19:2; Jes. 7:21, 22). Ook kon de huid worden gebruikt om verschillende lederwaren te vervaardigen. — Zie VAARS.
De bedrieglijke, onderdrukkende, luxe minnende vrouwen van Samaria worden als de „koeien van Basan” aangeduid (Amos 3:15; 4:1). Efraïm wordt vergeleken met een „afgerichte vaars die ervan hield te dorsen” (Hos. 10:11). Deze vergelijking krijgt meer betekenis wanneer men bedenkt dat de dieren bij het dorsen niet gemuilband werden en dus van het graan konden eten, zodat ze rechtstreeks en onmiddellijk profijt van hun arbeid trokken (Deut. 25:4). Toen Israël als gevolg van Gods zegen om zo te zeggen vet werd, ’sloeg het achteruit’, d.w.z. het kwam tegen Jehovah in opstand (Deut. 32:12-15). Israël wordt daarom passend vergeleken met een onhandelbare koe, die weigert het juk te dragen. — Hos. 4:16.