KORIANDERZAAD
(Hebreeuws: gadh).
Over het manna dat de Israëlieten in de wildernis aten, wordt gezegd dat het „wit als korianderzaad” was (Ex. 16:31). Klaarblijkelijk betrof de vergelijking niet alleen de kleur, maar ook het algemene uiterlijk. — Num. 11:7.
De koriander (Coriandrum sativum) is een eenjarige, 40-50 cm hoge plant met peterselieachtige bladeren en trosjes rose of witte schermbloemen. De vrucht bestaat uit bolvormige grijswitte zaden die de grootte van peperkorrels hebben. De Hebreeuwse naam is naar men meent afgeleid van een grondwoord (ga·dhadhʹ) dat „doordringen of snijden” betekent en derhalve een beschrijving kan vormen van de fijne ribben of groeven die de zaden kenmerken. De zaden bevatten een aromatische olie met een aangename smaak en worden in de oosterse keuken als specerij en bij bakkerijprodukten gebruikt. Bovendien gebruikt men ze bij lichte maagaandoeningen als medicijn.
[Illustratie op blz. 924]
Korianderbladeren en -bloesems