KAMELEON
[Hebreeuws: tin·sjeʹmeth].
De naam van dit reptiel komt voor onder de „wemelende schepselen” die volgens de Mozaïsche wet „onrein” waren (Lev. 11:29, 30). Men neemt aan dat de Hebreeuwse naam is afgeleid van een grondwoord dat „snuiven” of „blazen” betekent. Koehler en Baumgartners Lexicon in Veteris Testamenti Libros (blz. 1035) oppert op grond van een vergelijking met het Arabisch de betekenis „snuiver”. Hoewel het niet met zekerheid vast te stellen is, kan de Hebreeuwse naam op het kameleon betrekking hebben. Het gewone kameleon (Chamaeleo chamaeleon) komt in Egypte en Palestina veelvuldig voor.
Het kameleon is een zich traag en bedachtzaam voortbewegende, in bomen levende hagedis, die bekendstaat om zijn vermogen van kleur te veranderen. De kleurwisseling wordt veroorzaakt door de uitzetting en samentrekking van pigmenthoudende cellen in de huid en wordt door het zenuwstelsel bestuurd. De kleurverandering wordt voornamelijk bepaald door temperatuur en lichtsterkte.
In Leviticus 11:18 wordt dezelfde Hebreeuwse naam gebruikt voor de zwaan als een van de „onreine” vogels.
[Illustratie op blz. 871]
Het kameleon komt in Palestina veelvuldig voor