GEVANGENSCHAP.
De bijbelse geschiedenis maakt melding van een aantal verschillende gevangenschappen (Num. 21:29; 2 Kron. 29:9; Jes. 46:2; Ezech. 30:17, 18; Dan. 11:33; Nah. 3:10; Openb. 13:10). Maar met het begrip „de Gevangenschap” wordt gewoonlijk gedoeld op de grote deportatie van de joden uit het Beloofde Land door de Assyrische en de Babylonische wereldmacht in de 8ste en 7de eeuw v.G.T., ook wel „de Ballingschap” en „de wegvoering” genoemd. — Ezra 6:21; Matth. 1:17.
Assyrië voerde waarschijnlijk als eerste natie de politiek in om de gehele bevolking van veroverde steden uit hun geboorteland te deporteren en het gebied opnieuw te bevolken met gevangenen uit andere delen van het rijk. Deze deportatiepolitiek van Assyrië werd niet alleen bij de joden toegepast, want toen Damaskus, de hoofdstad van Syrië, onder de verpletterende stormaanval van deze tweede wereldmacht viel, werden zijn inwoners, zoals de profeet Amos had voorzegd, naar Kir verbannen (2 Kon. 16:8, 9; Amos 1:5). Deze politiek had een tweeledige uitwerking: De weinige overgeblevenen werden ontmoedigd omverwerpende activiteiten te ontplooien en de omliggende natiën, die met de gevankelijk weggevoerden wellicht op goede voet hadden gestaan, waren minder geneigd de nieuwe, vreemde bevolking uit verre landen hulp en ondersteuning te verlenen.
Zowel bij het noordelijke tienstammenrijk Israël als bij het zuidelijke tweestammenrijk Juda was de grondoorzaak voor de gevangenschap dezelfde: Zij hadden de ware aanbidding van Jehovah de rug toegekeerd en waren valse goden gaan dienen (Deut. 28:15, 62-68; 2 Kon. 17:7-18; 21:10-15). Hoewel Jehovah van zijn kant voortdurend zijn profeten zond om beide koninkrijken te waarschuwen, mocht dit niet baten (2 Kon. 17:13). Geen van de koningen van het tienstammenrijk Israël roeide ooit volledig de valse aanbidding uit die Jerobeam, de eerste koning van die natie, had ingevoerd. Juda, het in het Z. gelegen zusterkoninkrijk, minachtte zowel de rechtstreekse waarschuwingen van Jehovah als het waarschuwende voorbeeld dat het door de gevangenschap van Israël kreeg (Jer. 3:6-10). De bewoners van beide koninkrijken werden ten slotte in ballingschap weggevoerd, elke natie in meer dan één grote deportatiegolf.
BEGIN VAN DE BALLINGSCHAP
Tijdens de regering van de Israëlitische koning Pekah in Samaria (ca. 778–758 v.G.T.) trok de Assyrische koning Pul (wiens officiële titel schijnbaar Tiglath-Pileser III was) tegen Israël op, veroverde een groot gebied in het N. en voerde de bewoners ervan naar oostelijke delen van zijn rijk (2 Kon. 15:29). Deze zelfde monarch veroverde ook gebied ten O. van de Jordaan en voerde vandaar ’de Rubenieten en de Gadieten en de halve stam Manasse in ballingschap en bracht hen naar Halah en Habor en Hara en de rivier de Gozan om er te blijven tot op deze dag’. — 1 Kron. 5:26.
Toen Samaria in 740 v.G.T. voor de Assyriërs viel en er aldus een eind kwam aan het tienstammenrijk, werden de bewoners van dit rijk in ballingschap gevoerd en „in Halah en in Habor, aan de rivier de Gozan, en in de steden van de Meden” geplaatst. De bijbel geeft de reden hiervoor aan door te zeggen „dat zij niet geluisterd hadden naar de stem van Jehovah, hun God, maar zijn verbond bleven overtreden, ja, al wat Mozes, de knecht van Jehovah, geboden had. Zij luisterden er niet naar en handelden er niet naar” (2 Kon. 18:11, 12; 17:6). Niettemin eiste de Assyrische koning Sargon II de eer voor de val van de stad voor zichzelf op. — Zie SARGON.
Na de omverwerping van het noordelijke koninkrijk deden er zich in de loop van de volgende meer dan 100 jaar nog andere opmerkelijke wegvoeringen voor. Voordat Sanherib in 732 v.G.T. door toedoen van God een vernederende nederlaag leed, viel hij andere plaatsen in Juda aan. Sanherib beweert in zijn annalen dat hij in de steden en vestingen van het gebied van Juda 200.150 personen gevangennam, maar te oordelen naar de toon die hij in deze annalen aansloeg, is het aantal waarschijnlijk overdreven (2 Kon. 18:13). Zowel zijn opvolger Esar-Haddon als de daaropvolgende Assyrische monarch, Asnappar (Assoerbanipal), voerden gevangenen naar vreemde gebieden. — Ezra 4:2, 10.
In 628 v.G.T. sloot de Egyptische farao Necho Josia’s zoon Joahaz van het zuidelijke koninkrijk in boeien en voerde hem als gevangene naar Egypte (2 Kron. 36:1-5). Meer dan tien jaar later, in 617 v.G.T., werden gevangenen uit Jeruzalem in ballingschap naar Babylon gevoerd. Nebukadnezar trok tegen de opstandige stad op en deporteerde de hogere klasse van de bevolking, onder wie ook koning Jojachin en zijn moeder (2 Kon. 24:12-16; Esth. 2:6; Ezech. 1:1-3; Dan. 1:2, 6). Jojachins oom Zedekia werd als vazalkoning achtergelaten. Enkele andere belangrijke personen, onder wie de profeet Jeremia, bleven eveneens in Jeruzalem. Met het oog op het grote aantal gevangenen dat in 2 Koningen 24:14 staat opgetekend, heeft het in Jeremia 52:28 genoemde getal van 3023 schijnbaar betrekking op personen van een bepaalde stand of op de familiehoofden, terwijl hun vrouwen en kinderen, wier aantal in de duizenden liep, niet bij dit getal waren inbegrepen.
De laatste verovering van Jeruzalem door Nebukadnezar vond in 607 v.G.T. na een 18 maanden durende belegering plaats (2 Kon. 25:1-4). Ditmaal moesten bijna alle inwoners de stad verlaten. Enkelen van de geringen van het land mochten „als wijngaardeniers en als dwangarbeiders” achterblijven. Over hen werd Gedalja in Mizpa als stadhouder aangesteld (Jer. 52:16; 40:7-10; 2 Kon. 25:22). Tot degenen die als gevangenen naar Babylon werden gevoerd, behoorden „enkelen van de geringen van het volk en de rest van het volk dat was overgebleven in de stad, en de overlopers . . ., en de rest van de meesterwerkers”. De uitdrukking „het volk dat was overgebleven in de stad” duidt er blijkbaar op dat een groot aantal inwoners hetzij door de hongersnood, ziekte of vuur was omgekomen of in de oorlog was gesneuveld (Jer. 52:15; 2 Kon. 25:11). Zedekia’s zonen, de vorsten van Juda, hofbeambten, bepaalde priesters en vele andere prominente burgers werden op bevel van de koning van Babylon ter dood gebracht (2 Kon. 25:7, 18-21; Jer. 52:10, 24-27). Dit alles verklaart mogelijk het vrij geringe aantal van slechts 832 die werkelijk in ballingschap werden gevoerd. Dit genoemde aantal betrof waarschijnlijk alleen de gezinshoofden, hun vrouwen en kinderen niet meegerekend. — Jer. 52:29.
Ongeveer twee maanden later, na de moord op Gedalja, vluchtten de in Juda achtergebleven joden naar Egypte en namen Jeremia en Baruch mee (2 Kon. 25:8-12, 25, 26; Jer. 43:5-7). Sommige joden kunnen ook naar andere omliggende landen zijn gevlucht. Uit deze landen en uit Egypte kwamen waarschijnlijk de 745 gevangenen (gezinshoofden) die vijf jaar later in ballingschap werden gevoerd, toen Nebukadnezar als Jehovah’s symbolische knots de natiën rondom Juda verpletterde (Jer. 51:20; 52:30). Josephus zegt dat Nebukadnezar vijf jaar na de val van Jeruzalem Ammon en Moab onder de voet liep en vervolgens verder trok om wraak te nemen op Egypte. — De joodse geschiedenis, X, ix, 7.
Met Jeruzalem was het anders gesteld dan met andere veroverde steden. In tegenstelling tot Samaria, dat opnieuw werd bevolkt met gevangenen uit andere delen van het Assyrische Rijk — een politiek die ook door de Babyloniërs ten aanzien van de door hen veroverde steden werd gevolgd — werden in dit specifieke geval Jeruzalem en zijn omgeving onbewoond en woest achtergelaten, precies zoals Jehovah het vooraf had bepaald. Bijbelcritici mogen betwijfelen dat het eens zo welvarende land Juda plotseling „tot een verlaten woestenij, zonder inwoner” werd, maar er bestaan geen geschiedkundige bewijzen of annalen uit deze periode die het tegendeel bewijzen (Jer. 9:11; 32:43). De archeoloog G. E. Wright verklaart: „De geweldpleging tegen Juda blijkt . . . uit archeologische onderzoekingen die aantonen dat de ene stad na de andere in die tijd plotseling ontvolkt werd, terwijl vele nooit opnieuw bewoond werden” (Biblical Archaeology, 1957, blz. 179). W. F. Albright stemt hiermee overeen: „Er is in het eigenlijke Juda geen enkel geval bekend waar een stad tijdens de gehele periode van de ballingschap onafgebroken bewoond was.” — The Archaeology of Palestine, 1949, blz. 142.
OMSTANDIGHEDEN WAARIN DE BALLINGEN VERKEERDEN
De gevangenschap werd in het algemeen als een periode van verdrukking en knechtschap beschouwd. Jehovah zei dat Babylon de Israëlieten geen barmhartigheid bewees, maar ’op de grijsaard het juk zeer zwaar deed drukken’ (Jes. 47:5, 6). Ongetwijfeld werden er van hen net als van andere gevangenen bepaalde betalingen (belasting, schatting, tol) geëist, gebaseerd op datgene wat zij konden produceren of verdienen (Ezra 4:20). Ook de omstandigheid dat de grote tempel van Jehovah in Jeruzalem geplunderd en vernietigd was, dat zijn priesterschap hetzij gedood of in ballingschap gevoerd was en zijn aanbidders als gevangenen waren weggevoerd en tot onderdanen van een vreemde mogendheid waren gemaakt, was beslist onderdrukkend.
Maar verbannen te worden naar een vreemd land, was niet zo erg als voor altijd in wrede slavernij verkocht of op sadistische wijze terechtgesteld te worden, wat zo typerend was voor Assyrische en Babylonische veroveringen (Jes. 14:4-6; Jer. 50:17). De in ballingschap levende joden hadden naar het schijnt een bepaalde mate van bewegingsvrijheid, en zij konden hun interne aangelegenheden tot op zekere hoogte zelf regelen. — Ezra 8:1, 16, 17; Jer. 29:4-7; Ezech. 1:1; 14:1; 20:1.
Sommigen van hen werden bedreven in verschillende beroepen, die na de beëindiging van de gevangenschap nuttig bleken te zijn (Neh. 3:8, 31, 32). Handelsondernemingen en de handel in het algemeen werden hun specialiteiten. Vondsten in verband met een bekende joodse familie in Nippoer geven te kennen dat zij een florerend bank- en verzekeringsbedrijf bezaten en handel dreven in onroerende goederen; vele joodse namen werden in hun bedrijfsadministratie aangetroffen. Zulke handelsbetrekkingen en sociale contacten met nietjoden droegen er mettertijd toe bij dat het Aramees in de Hebreeuwse taal ingang vond.
De periode van de gevangenschap, die voor sommigen 80 jaar duurde, was natuurlijk van invloed op de gemeenschappelijke aanbidding van de ware God Jehovah. Zonder tempel, zonder altaar en zonder georganiseerde priesterschap was het niet mogelijk om dagelijks offers te brengen. Maar de getrouwe joden konden ondanks de spot en hoon van anderen aan het gebruik van de besnijdenis vasthouden, zich van onrein voedsel onthouden, de sabbat houden en geregeld gebeden opzenden. Dat Daniël tijdens de gevangenschap zijn God ’met standvastigheid diende’, was bij koning Darius en anderen welbekend. Zelfs toen een bevel werd gelegaliseerd waardoor het op straffe des doods werd verboden om een smeekbede tot iemand anders dan de koning te richten, „liet hij [Daniël] zich zelfs driemaal per dag op zijn knieën neer en bad en schonk lof voor het aangezicht van zijn God, zoals hij voordien geregeld had gedaan” (Dan. 6:4-23). Zo’n getrouwheid met betrekking tot hun beperkte aanbidding hielp deze ballingen hun nationale identiteit te behouden. Het was voor hen ook nuttig de tegenstelling tussen de zuivere eenvoud van Jehovah’s aanbidding en het opzichtige, afgodische materialisme van Babylon op te merken. Ongetwijfeld trokken zij ook profijt van de aanwezigheid van Jehovah’s profeten Ezechiël en Daniël. — Ezech. 8:1; Dan. 1:6; 10:1, 2.
Toen het gebruik van de plaatselijke synagoge onder de joden ingang vond, hadden de gemeenschappen van joodse ballingen in heel Medië, Perzië en Babylonië meer afschriften van de Heilige Schrift nodig. Ezra stond als „een vaardig afschrijver inzake de wet van Mozes” bekend, waardoor te kennen wordt gegeven dat men uit Juda afschriften van Jehovah’s wet had meegenomen en daarvan weer nieuwe afschriften had gemaakt (Ezra 7:6). Ongetwijfeld bevatten deze kostbare schriftrollen van vroegere geslachten ook het boek Psalmen, en waarschijnlijk werd Psalm 137 en misschien ook Psalm 126 tijdens of kort na de gevangenschap gecomponeerd. De zes zogenaamde Hallelpsalmen (113–118) werden na de terugkeer van het overblijfsel uit Babylon op de grote paschafeesten gezongen.