KANALEN.
Doorgaans kunstmatige waterwegen ten behoeve van de irrigatie, het reguleren van de hoogwaterstand, de scheepvaart en de watervoorziening van kleine en grote steden. Al zeer vroeg in de geschiedenis maakte men gebruik van kanalen.
PALESTINA
In Palestina was irrigatie niet zo onontbeerlijk voor de economie als in Egypte en Babylonië, waar minder regen viel en minder bronnen, rivieren en waterputten waren (Deut. 11:10, 11). In de wildernis van Juda of in het zuiden van Juda waren weinig irrigatiemogelijkheden. Toch werden in Palestina hier en daar wel tuinen bevloeid, en vooral legde men leidingen aan die water naar Jeruzalem voerden.
Het „hoge aquaduct” dat vermoedelijk bij de Jaffapoort Jeruzalem binnenkwam en in de Wadi el-Bijar ten N. van Tekoa begon, werd volgens sommigen door Herodes de Grote gebouwd. Misschien werd het aangelegd om Herodes’ citadel en paleis en de kanalen in zijn paleistuinen van water te voorzien (Josephus, De joodse oorlog, V, iv, 4). Dit aquaduct liep door een tunnel en leidde het water over het dal waarin de „Vijvers van Salomo” lagen. Op één plaats werd klaarblijkelijk het principe van de hevelwerking toegepast.
EGYPTE
Egypte, dat vrijwel geen neerslag had, was voor water aangewezen op de overstroming van de Nijl. Deze trad elk jaar buiten zijn oevers, overstroomde het vlakke land en zette slib uit het stroomgebied van de bovenloop van de Nijl af, waardoor het land van een nieuwe laag aarde werd voorzien. Gewassen groeiden er welig. Om het water te reguleren en het tussen de overstromingstijden van de Nijl op te slaan, werd een irrigatiesysteem van dijken, kanalen, vijvers en greppels aangelegd dat door de regering werd beheerd. Een van de tot op heden gebruikelijke methoden om het water omhoog te voeren, was het gebruik van de sjadoef. Aan het uiteinde van een paal, die fungeerde als hefboom, werd een vat gehangen, dat men in de rivier of het kanaal neerliet. De man die het apparaat bediende, haalde het vat omhoog en goot het water in het eerstvolgende hoger gelegen bekken of kanaal. De bijbel bericht dat de Israëlieten in Egypte met de voet bevloeiden; dit kan betrekking hebben op het gebruik van een met de voet in beweging gebracht water- of scheprad of op de gewoonte het water in verschillende greppels te leiden door de aarde met de voet uit te hollen of de wand van een watergreppel te openen om het water in een andere richting te laten stromen. — Deut. 11:10, NW, Stud., voetn.
MESOPOTAMIË
Het land tussen de Eufraat en de Tigris heeft een zeer geringe neerslag, maar tijdens het regenseizoen zwellen de rivieren vervaarlijk en overstromen het land, zodat het zuidelijke deel van Mesopotamië in een „zee”-wildernis verandert. Om overstromingsrampen te voorkomen en een deel van het water voor later gebruik vast te houden, werd een ingewikkeld systeem van dijken, sluizen, kanalen en vergaarbekkens aangelegd. Bij het graven van een kanaal werd de uitgegraven aarde ter weerszijden als een dam opgeworpen. Grote sluizen regelden de stroming. In de dammen konden doorlaten snel afgesloten of geopend worden om de toevoer naar greppels die de tuinen bevloeiden te beheersen. Om het water omhoog te voeren naar grond die hoger lag dan het kanaal, maakte men gebruik van de sjadoef en andere hulpmiddelen. Zonder water is het Tweestromenland een woestenij, maar wanneer het bevloeid wordt, is het buitengewoon vruchtbaar.