KALMOES, RIET
[Hebreeuws: qa·nehʹ].
Het Hebreeuwse woord qa·nehʹ wordt vaak vertaald met „halm” (Gen. 41:5, 22), ’arm’ bij een lampestandaard (Ex. 25:31, 32) of „riet” (1 Kon. 14:15). In bepaalde teksten blijkt echter uit het verband of uit een nadere bepaling dat er een aromatische plant wordt bedoeld en qa·nehʹ wordt in die gevallen derhalve met „specerijriet”, „zoete kalmoes” (Hebreeuws: qeneh-voʹsem) of „goede riet” (qa·nehʹ hat·tōvʹ) weergegeven.