LAST.
Iets wat wordt gedragen; een vracht, in letterlijke of figuurlijke zin. Met de termen „last” of „vracht” worden in de Schrift verschillende Hebreeuwse en Griekse woorden weergegeven; soms hebben ze betrekking op een letterlijke draaglast, maar dikwijls ook op figuurlijke dingen zoals verantwoordelijkheid, schuld of een goddelijke boodschap. Onder last wordt over het algemeen een zware vracht verstaan.
FIGUURLIJK GEBRUIK
Het Hebreeuwse woord mas·sa’ʹ, dat dikwijls wordt gebruikt voor een letterlijke vracht of last, kan ook betrekking hebben op een „gewichtige boodschap”, zoals die waarmee koning Lemuël door zijn moeder werd terechtgewezen (Spr. 31:1). Het kan eveneens betrekking hebben op een formele uitspraak (Jes. 13:1; 14:28; Ezech. 12:10; Nah. 1:1). Gewoonlijk betreft het dan een strafaankondiging wegens goddeloosheid en komt derhalve overeen met een zware last van een oordeel. Een formele uitspraak kan echter ook een profetische uiting betreffende iets goeds zijn, dat vreugde veroorzaakt (Zach. 12:1; Mal. 1:1). In die zin wordt de betekenis van het woord mas·sa’ʹ als volgt weergegeven: „een plechtige uitspraak, die al dan niet een dreiging kan inhouden.” — The International Standard Bible Encyclopaedia, Deel I, blz. 528.
Verder kan een „last” betrekking hebben op een door Christus opgelegde verantwoordelijkheid (Openb. 2:24). De heilige geest en het christelijke besturende lichaam achtten het juist, christenen geen verdere „last” toe te voegen dan noodzakelijke dingen, namelijk zich „te blijven onthouden van dingen die aan afgoden ten slachtoffer zijn gebracht en van bloed en van al wat verstikt is en van hoererij”. — Hand. 15:28, 29.
Jezus veroordeelde de schriftgeleerden en Farizeeën met de woorden: „Zij binden zware vrachten samen en leggen die op de schouders der mensen, maar zelf willen zij ze met hun vinger niet verroeren” (Matth. 23:2, 4). Jezus doelde klaarblijkelijk op de minutieuze regels en de last van de overleveringen die deze mannen het gewone volk hadden opgelegd, terwijl zij niet bereid waren ook maar één klein voorschrift op te heffen om het volk het leven wat gemakkelijker te maken. — Matth. 23:13, 23, 24.
Jezus daarentegen bevrijdde de mensen in geestelijk opzicht van zulke onderdrukkende overleveringen (Joh. 8:31, 32). Hij zei: „Mijn juk is weldadig en mijn vracht is licht” (Matth. 11:28-30). Christus was niet hardvochtig of onderdrukkend, maar vriendelijk, en wie tot hem kwam, werd ook zo behandeld. Het juk van Christus was in vergelijking met het juk dat de religieuze traditionalisten de mensen oplegden, betrekkelijk licht. Jezus kan ook bedoeld hebben dat allen die onder de last van zonde en dwaling moe waren geworden, tot hem moesten komen om geestelijk verkwikt te worden.
DE LASTEN VAN ANDEREN DRAGEN
Paulus schreef aan de Galaten: „Blijft elkaars lasten [of: „zwaar drukkende (kwellende) dingen”] dragen en vervult aldus de wet van de Christus” (Gal. 6:2). De apostel gebruikte voor het hier met „lasten” weergegeven woord de uitdrukking baʹre, de meervoudsvorm van baʹros, een Grieks woord dat altijd voor iets drukkends of zwaars wordt gebruikt. Stellig zou de zonde en derhalve de last van iemand die een „misstap” (waarover in het voorgaande vers wordt gesproken) had begaan, niet licht zijn maar zwaar. In vers 5 zegt de apostel echter: „Want een ieder zal zijn eigen vracht [„lading van verantwoordelijkheid”, NW, Eng. uitgave 1950] dragen.” Voor het hier met „vracht” weergegeven woord gebruikte Paulus het Griekse woord forʹti·on, dat iets wat gedragen moet worden betekent, zonder dat het gewicht van het gedragene in aanmerking wordt genomen. Hij maakte in deze verzen dus een onderscheid tussen „lasten” en „vracht” of „lading van verantwoordelijkheid”. Daardoor wilde hij waarschijnlijk tonen dat indien een christen in geestelijk opzicht in moeilijkheden was geraakt die voor hem zeer zwaar te dragen waren, medegelovigen hem hulp moesten bieden en hem aldus bij het dragen van zijn lasten moesten bijstaan. Op deze wijze zouden zij liefde aan de dag leggen en de wet van Christus vervullen (Joh. 13:34, 35). Dit strookt met wat Paulus vlak daarvoor, in Galaten 6:1, had gezegd, namelijk dat men moest trachten de betrokken persoon in geestelijk opzicht terecht te brengen, iets wat door liefde, vriendelijkheid en gebed mogelijk is. (Vergelijk Jakobus 5:13-16.) Maar zoals de apostel enkele verzen verder toonde, betekent het dragen van andermans lasten niet dat men diens lading van geestelijke verantwoordelijkheid tegenover God draagt.