BOEK
[Hebreeuws: seʹfer, boek, boekrol, brief, geschrift, document, register; Grieks: biʹblos (het binnenste of het merg van de papyrusstengel), biʹbli·on, boek, boekrol].
In vroeger tijden was een „boek” een tablet of een verzameling tabletten van klei, steen, was, met was bestreken hout, metaal, ivoor of wellicht zelfs een aantal potscherven (Grieks: osʹtra·ka) enz. Met de hand beschreven boekrollen bestonden uit aan elkaar gelijmde vellen van papyrus, perkament (dierehuid, bijvoorbeeld van schapen en geiten) of het fijnere velijn, dat uit de huid van jonge kalveren werd vervaardigd, en nog later gebruikte men ook linnen, linnenpapier enz. Uiteindelijk werd een boek een verzameling opeenvolgende met de hand beschreven of bedrukte gevouwen vellen, die aan elkaar gebonden, genaaid, geplakt, gehecht of anderszins aan elkaar bevestigd werden en aldus een gebonden boek vormden.
Boekrollen werden gewoonlijk slechts aan één kant beschreven (in het geval van leer aan de oorspronkelijk harige zijde). Het schrijfmateriaal werd soms om een stok gewikkeld. De lezer begon dan aan het ene einde te lezen, waarbij hij de boekrol in zijn linkerhand hield en hem om de stok in zijn rechterhand wikkelde (indien hij Hebreeuws las; met Grieks was het omgekeerd). Wanneer het om een lange tekst ging, werd de rol soms om twee stokken gewikkeld. Het middelste gedeelte van de tekst was dan zichtbaar wanneer de rol werd opgepakt om gelezen te worden. Vandaar het woord „volumen” (boekdeel), dat van het Latijnse werkwoord volvere, „rollen”, is afgeleid.
De vellen die voor het vervaardigen van boekrollen werden gebruikt, waren over het algemeen 23 tot 28 cm hoog en 15 tot 23 cm breed. Een aantal van deze vellen werd met kleefstof aan elkaar geplakt.
De randen van de boekrol werden gelijkgesneden, gladgemaakt met puimsteen en gekleurd, meestal zwart. Daarop werden de rollen in cederolie gedompeld om ze tegen insekten te beschermen. Gewoonlijk werd slechts één kant van de boekrol beschreven, tenzij de binnenkant niet alle informatie kon bevatten. In zo’n geval werd soms ook de buitenkant of de achterkant beschreven. De boekrollen die de profeten Ezechiël en Zacharia en de apostel Johannes in een visioen zagen en die oordeelsboodschappen bevatten, waren aan beide zijden beschreven. Dit schijnt erop te duiden dat het om belangrijke, omvangrijke en gewichtige oordelen ging. — Ezech. 2:10; Zach. 5:1-3; Openb. 5:1.
Belangrijke documenten werden verzegeld doordat men een stuk klei of was met de zegelafdruk van de schrijver of de vervaardiger, met behulp van koordjes aan het document bevestigde. De apostel Johannes zag in een visioen een boekrol met zeven zegels, die door degene die op de troon zat, aan het Lam werd overhandigd. — Openb. 5:1-7.
Uit oudere tijd daterende boekrollen bevatten klaarblijkelijk wel vier kolommen per bladzijde, terwijl dat in later tijd gewoonlijk één kolom was. Jeremia’s boekrol bestond uit „bladzijden-kolommen”. Zodra er drie of vier kolommen waren voorgelezen, sneed koning Jojakim dat gedeelte van de rol af en wierp het in het vuur (Jer. 36:23). De 17 vellen van de Dode-Zeerol van Jesaja bevatten 54 kolommen tekst van elk 28 tot 32 regels.
Bij papyrusrollen werden de vellen vervaardigd van twee lagen papyrus die kruiselings op elkaar werden gelegd. De vellen werden zo aan elkaar geplakt dat de horizontale stroken aan de binnenzijde kwamen, daar ze een glad schrijfoppervlak vormden en het gemakkelijker maakten om in rechte lijnen te schrijven. Een smalle strook papyrus met de titel werd aan de bovenste rand aangebracht, zodat men hem gemakkelijk kon lezen, of de rol nu rechtop stond of op een plank lag. Perkament- of velijnrollen werden vaak gelinieerd om het schrijven te vergemakkelijken. Zulke lijnen zijn op de Jesaja-rol te zien. De verslagen in de oude staatsarchieven van Israël en Juda, alsook de geïnspireerde geschriften van Jehovah’s profeten, werden soms „boeken” genoemd, alhoewel het in werkelijkheid boekrollen waren. — 1 Kon. 11:41; 14:19; Jer. 36:4, 6, 23.
In iedere synagoge — een ontwikkeling na de Babylonische ballingschap — werden boekrollen van de Heilige Schrift bewaard en gebruikt, en elke sabbat werd er in het openbaar uit voorgelezen (Hand. 15:21). Jezus zelf las uit zo’n boekrol voor, die er mogelijk net zo uitzag als de Dode-Zeerol van Jesaja. — Luk. 4:15-20.
Schijnbaar gebruikten de christenen tot aan het einde van de 1ste eeuw G.T. voornamelijk de boekrol. De apostel Johannes schreef rond het jaar 96 G.T. de Openbaring, en dit boek wordt in hoofdstuk 22 vers 18 en 19 als boekrol aangeduid. Boekrollen waren echter zeer onhandig. Het was moeilijk om verschillende bijbelboeken in boekrolvorm bij zich te dragen. Het was nog moeilijker, zelfs praktisch onmogelijk, om in een grote boekrol snel bepaalde uitspraken op te zoeken. Alles wijst erop dat de christenen al gauw de codex, de boekvorm, gingen gebruiken, omdat zij erin geïnteresseerd waren het „goede nieuws” te prediken en bij hun studie van de bijbel en hun prediking vele schriftplaatsen raadpleegden en ernaar verwezen.
Met betrekking tot het feit dat de christenen, zo zij de codex niet hebben uitgevonden, toch vooropgingen in het gebruik ervan, schrijft professor E. J. Goodspeed in zijn boek Christianity Goes to Press (blz. 75, 76) het volgende: „In de vroege kerk bevonden zich mannen die zich zeer goed bewust waren van de rol die het geschreven woord in de Grieks-Romeinse wereld speelde en die in hun ijver om de christelijke boodschap in die wereld te verbreiden, alle technieken op het gebied van publikatie aangrepen, niet alleen de verouderde, traditionele, maar ook de nieuwste en vooruitstrevendste, en zij maakten er bij hun christelijke propaganda ten volle gebruik van. Hierbij begonnen zij op grote schaal gebruik te maken van de codex, de boekvorm, die nu algemeen gebruikt wordt. Hun evangelie was geen slechts voor ingewijden bestemde geheime leer, maar moest van de daken verkondigd worden, en zij beijverden zich om datgene te doen wat het devies was van de profeten uit de oudheid: ’Verkondigt goede tijdingen!’ Het schrijven van de afzonderlijke evangeliën was natuurlijk iets groots, maar het bijeenbrengen ervan en de publikatie ervan als verzameling was een heel andere zaak en bijna net zo belangrijk als in sommige gevallen het schrijven ervan.”
Vervolgens doet professor Goodspeed een aanhaling uit een toespraak die professor Henry A. Sanders in december 1937 voor het Amerikaanse Filologische Genootschap hield over het ontstaan van de codex, en zegt: „Tegen het einde van de 1ste eeuw v. Chr. en nog meer in de 1ste eeuw n. Chr. verschenen de codices in de boekhandel. Wat de christelijke literatuur betreft, werden waarschijnlijk van het begin af codices gebruikt.”
PALIMPSESTEN
Aangezien schrijfmateriaal duur en schaars was, werd de oorspronkelijke tekst van de handschriften er soms weer afgekrabd of afgewassen of met verscheidene preparaten zoveel mogelijk verwijderd, opdat ze opnieuw beschreven konden worden. Papyrushandschriften werden afgewassen indien de inkt nog vrij vers was; anders werd de oorspronkelijke tekst doorgestreept of werd de achterkant gebruikt om erop te schrijven. Bij sommige palimpsesten is de oorspronkelijke tekst als gevolg van atmosferische inwerking, enzovoort, soms weer duidelijk genoeg te voorschijn gekomen om ontcijferd te worden. Daaronder bevinden zich een aantal bijbelhandschriften, bijvoorbeeld de Codex Ephraemi. Deze bevat, onder een tekst die waarschijnlijk in de 12de eeuw werd geschreven, een mogelijkerwijs uit de 5de eeuw G.T. daterend gedeelte van de Hebreeuwse en de Griekse Geschriften.
ANDERE BOEKEN WAARNAAR IN DE BIJBEL WORDT VERWEZEN
In de bijbel wordt naar een aantal niet-geïnspireerde boeken verwezen. Sommige dienden als bronnenmateriaal voor de geïnspireerde schrijvers. Sommige zijn klaarblijkelijk uittreksels uit hofannalen. Hier volgen er enkele:
Het boek van de Oorlogen van Jehovah
Uit dit boek doet Mozes in Numeri 21:14, 15 een aanhaling. Het was ongetwijfeld een betrouwbaar historisch verslag over de oorlogen van het volk van God. Mogelijk begon het met Abrahams succesvolle veldtocht tegen de vier geallieerde koningen die Lot en zijn familie gevangengenomen hadden. — Gen. 14:1-16.
Het boek van Jasjar
Dit boek wordt in Jozua 10:12, 13 aangehaald, waar wordt beschreven hoe Jozua de zon en de maan smeekt om tijdens zijn gevecht met de Amorieten stil te staan, en nog een keer in 2 Samuël 1:18-27, waar het gedicht „De boog” opgetekend staat, een klaaglied over Saul en Jonathan. Men gelooft daarom dat het boek een verzameling gedichten, liederen en andere geschriften was. Ze waren ongetwijfeld van groot historisch belang en waren onder de Hebreeën wijdverbreid.
Andere historische geschriften
In de boeken Koningen en Kronieken worden verscheidene andere niet-geïnspireerde historische geschriften genoemd. Een daarvan is het „boek van de aangelegenheden van de dagen der koningen van Israël” (1 Kon. 14:19; 2 Kon. 15:31). „Het boek van de aangelegenheden van de tijden der koningen van Juda” is het overeenkomstige boek voor de koningen van het zuidelijke koninkrijk. Het begon met Salomo’s zoon Rehabeam en eindigde met Jojakim. Er wordt 15 maal naar verwezen (1 Kon. 14:29; 2 Kon. 24:5). Een verslag over de regering van Salomo wordt in 1 Koningen 11:41 „het boek van de aangelegenheden van Salomo” genoemd.
Toen Ezra na de gevangenschap de Kronieken samenstelde en schreef, verwees hij op z’n minst 14 maal naar andere bronnen, onder andere naar het „Boek van de koningen van Israël”, het „verslag van de aangelegenheden van de dagen van koning David” en het „Boek van de koningen van Juda en van Israël” (1 Kron. 9:1; 27:24; 2 Kron. 16:11; 20:34; 24:27; 27:7; 33:18). Ezra verwees ook naar boeken van vroegere geïnspireerde schrijvers (1 Kron. 29:29; 2 Kron. 26:22; 32:32). Hij vermeldt dat andere profeten van Jehovah verslagen hebben opgetekend die niet in de geïnspireerde Heilige Schrift zijn opgenomen (2 Kron. 9:29; 12:15; 13:22). Nehemia maakt melding van een „boek van de aangelegenheden der tijden” (Neh. 12:23). De bijbel maakt ook gewag van Perzische hofannalen. Deze bevatten onder andere berichten omtrent diensten die aan de koning werden bewezen, zoals Mordechai’s onthulling van een samenzwering. — Ezra 4:15; Esth. 2:23; 6:1; 10:2.
De wijze schrijver van het boek Prediker waarschuwt voor de eindeloze reeks boeken die hun lezers er niet toe aansporen de ware God te vrezen en zijn geboden te onderhouden (Pred. 12:12, 13). Een voorbeeld hiervan was te vinden in Efeze, waar spiritisme en demonisme hoogtij vierden. Nadat daar het goede nieuws omtrent Christus was gepredikt, brachten de gelovigen hun boeken over magische kunsten bijeen en verbrandden ze in het openbaar.
In Exodus 17:14 lezen wij Jehovah’s bevel om zijn oordeel tegen Amalek in „het boek” te schrijven, waaruit blijkt dat de geschriften van Mozes, de eerste waarvan bekend is dat ze geïnspireerd zijn, in 1513 v.G.T. reeds gedeeltelijk voorhanden waren.
Hier volgen nog enkele andere verwijzingen naar de bijbel of bijbelgedeelten: „Het boek van het verbond” (Ex. 24:7). Dit bevatte klaarblijkelijk de wetten die in Exodus 20:22 tot 23:33 opgetekend staan. „Mozes [was] ermee gereed . . . de woorden van deze wet tot het einde toe in een boek te schrijven” (Deut. 31:24, 26). Hiermee wordt de Pentateuch bedoeld. „De boekrol” (Hebr. 10:7). Deze uitdrukking verwijst naar de Hebreeuwse Geschriften.