ZEGEN, ZEGENEN
Iets heiligen of heilig verklaren; een tot God gericht verzoek om goddelijke gunst te verlenen; goedheid betonen; gunst bewijzen; als heilig roemen; verheerlijken; goed van iemand spreken; tegen kwaad beschermen of beveiligen; geluk schenken.
De verschillende vormen van de Hebreeuwse woorden die over het algemeen met „zegenen” of „zegen” worden vertaald, komen ongeveer 400 maal in de Schrift voor. Het werkwoord ba·rakhʹ, dat gewoonlijk met „zegenen” wordt weergegeven, wordt soms vertaald met „knielen” of „neerknielen”. — Gen. 24:11; 2 Kron. 6:13; Ps. 95:6.
Het Griekse werkwoord eu·loʹge·o betekent letterlijk „goed van iemand spreken” en is een combinatie van eu, wat „goed” betekent, en loʹgos, „woord”. Het komt als werkwoord, zelfstandig naamwoord en bijvoeglijk naamwoord meer dan 65 maal in de christelijke Griekse Geschriften voor.
In de Schrift worden de woorden „zegenen” en „zegen” in ten minste vier hoofdbetekenissen gebruikt: (1) God tegenover de mens — Jehovah’s zegen die aan de mensheid in het algemeen en ook aan afzonderlijke personen wordt geschonken; (2) de mens tegenover God — mensen zegenen God en ook Christus; (3) mensen tegenover medemensen — mensen zegenen andere mensen en (4) een zegen voor anderen zijn.
ZEGENINGEN VAN JEHOVHAH
„De zegen van Jehovah — die maakt rijk, en hij voegt er geen smart bij” (Spr. 10:22). Jehovah zegent degenen die zijn goedkeuring genieten door hen te beschermen, voorspoedig te maken, te leiden, door hun succes te schenken en in hun behoeften te voorzien, met een gelukkige afloop voor hen.
Van uitermate groot belang voor de gehele mensheid is de zegen in verband met Abraham en zijn Zaad (Gen. 12:3; 18:18; 22:18). Jehovah zegende Abraham en Sara door op wonderbare wijze hun voortplantingsvermogen te vernieuwen, zodat zij op hun oude dag nog een zoon konden krijgen (Gen. 17:16; 21:2). Hij schonk Abraham voorspoed en gebruikte hem om grotere dingen af te schaduwen (Gal. 4:21-26). Daarom heeft de zegen die God schonk door Abraham een zaad te geven, een grotere betekenis doordat ze de belofte inhoudt dat mensen uit alle natiën gezegend zullen worden door bemiddeling van Degene die door Isaäk werd afgeschaduwd, Jezus Christus. — Gal. 3:8, 14; Hand. 3:25, 26; Hebr. 6:13-20.
De zegen van Jehovah op een persoon of een volk is afhankelijk van gehoorzaamheid aan hem (Ex. 23:25). De scherpe tegenstellingen die in Deuteronomium hoofdstuk 27 en 28 worden geschilderd, tonen duidelijk aan dat Jehovah’s vervloeking, die zware straf tot gevolg heeft, de ongehoorzamen treft, terwijl zijn zegen op de gehoorzamen rust en tot geestelijke voorspoed en de bevrediging van hun materiële behoeften leidt, hetgeen tot uiting komt in hun huizen, hun land, hun nageslacht, hun dieren, hun voedselvoorraad, hun reizen, ja, in alles wat zij ondernemen. „Zegeningen zijn voor het hoofd van de rechtvaardige” (Spr. 10:6, 7). Wanneer Jehovah’s volk getrouw gehoorzaamt, opent hij graag ’de sluizen van de hemel en giet werkelijk een zegen uit totdat er geen gebrek meer is’. — Mal. 3:10.
DE MENS ZEGENT JEHOVAH
De mens zegent Jehovah voornamelijk door hem te loven. Hij zegent hem echter ook door uitingen van dankbaarheid, door te erkennen dat Jehovah de bron van alle zegeningen is, door bij elke gelegenheid goed van hem te spreken en door hem te aanbidden en te dienen. Het goede nieuws prediken is een manier om Jehovah te zegenen, aangezien daardoor zijn naam en voornemens geloofd en geprezen worden. — Matth. 24:14; Hebr. 13:15.
DE MENS ZEGENT ZIJN MEDEMENS
In tegenstelling tot Jehovah, die elke zegen die Hij uitspreekt ook verwezenlijkt, kan het voorkomen dat een mens over iemand anders een zegen uitspreekt die hij niet kan verwezenlijken. In de bijbel komt het uitspreken van een zegen door de mens dikwijls neer op een smeekbede om goddelijke zegen, al hoeft die niet noodzakelijkerwijs in een gebed te worden uitgesproken. Wordt een mens dus door een ander mens gezegend, dan is zoals wordt toegegeven God altijd de bron van die zegen. Verder kan de zegen die een mens over andere mensen uitspreekt dikwijls neerkomen op een uiting van dankbaarheid, een van waardering getuigende erkenning van voortreffelijke hoedanigheden of een goed gedaan werk.
Wat betreft het vermogen een effectieve zegen uit te spreken, of met door God verleende autoriteit te zegenen of de macht te bezitten de zegen te verwezenlijken, brengt Paulus, wanneer hij de superioriteit van Melchizedeks priesterschap boven dat van Levi beredeneert, het volgende beginsel onder woorden: „Nu wordt ontegenzeglijk het mindere gezegend door het meerdere” (Hebr. 7:7). Melchizedek was zowel priester van God als koning en kon met autoriteit en profetisch namens God een zegen over Abraham uitspreken. — Gen. 14:18-20; Hebr. 7:1-4.
GELEGENHEDEN OM TE ZEGENEN
Wanneer men bidt, looft en dankt men God, men zegent hem; ook bidt men voor zijn geloofsgenoten en voor mensen die God zoeken — men zegent hen. Vóór een maaltijd „de zegen uitspreken” of „de zegen vragen” voor datgene wat men gaat nuttigen, wordt gewoonlijk in de vorm van een gebed gedaan. In zo’n gebed wordt Jehovah dank en lof gebracht voor zijn geestelijke en materiële voorzieningen, en wordt Jehovah gevraagd of het voedsel degenen die het nuttigen, mag bekomen en hen mag sterken om voort te kunnen gaan in zijn dienst (1 Sam. 9:13; Matth. 14:19; Luk. 9:16). In de gebeden die tijdens het Avondmaal des Heren over het brood en de wijn worden uitgesproken, wordt lof en dank aan God gebracht, alsook het verzoek gedaan of alle deelnemers geestelijk profijt mogen trekken van datgene wat door het brood en de wijn wordt gesymboliseerd en of zij als leden van het lichaam van Christus nauw verenigd mogen blijven en hun rechtschapenheid mogen bewaren. — Matth. 26:26; 1 Kor. 10:16.
In de patriarchale maatschappij gebeurde het dikwijls dat een vader kort voor zijn dood zijn zonen zegende. Dit was een zeer belangrijke aangelegenheid, waaraan veel waarde werd gehecht. Zo zegende Isaäk Jakob, in de veronderstelling dat hij Esau, de eerstgeborene, voor zich had. Voordat Jakobs broer Esau was gearriveerd, sprak Isaäk de wens uit dat Jakob gunst en voorspoed zou genieten, en ongetwijfeld heeft Isaäk, die zelf blind en oud was, Jehovah gesmeekt de zegen te verwezenlijken (Gen. 27:1-4, 23-29; 28:1, 6; Hebr. 11:20; 12:16, 17). Later werd die zegen door Isaäk bewust bevestigd en uitgebreid (Gen. 28:1-4). Voordat Jakob stierf, zegende hij eerst de twee zonen van Jozef en vervolgens zijn eigen zonen (Gen. 48:9, 20; 49:1-28; Hebr. 11:21). Zo zegende ook Mozes voor zijn dood de gehele natie Israël (Deut. 33:1). In al deze gevallen bewijzen de resultaten dat deze mannen profetische zegeningen uitspraken. Soms legde degene die zegende, terwijl hij de zegen uitsprak, zijn hand op het hoofd van degene die gezegend werd. — Gen. 48:13, 14.
Als groet hield iemands zegen de wens in dat het de ander goed mocht gaan. Toen Jakob bij Farao werd gebracht, zegende hij hem (Gen. 47:7; zie ook 1 Samuël 13:10; 25:14; 1 Koningen 1:47; 2 Koningen 10:15). Ook bij het vertrek kon een zegen worden uitgesproken. Rebekka bijvoorbeeld werd door haar familie gezegend toen zij uit Mesopotamië vertrok om met Isaäk te trouwen. — Gen. 24:60; zie ook Genesis 28:1; 2 Samuël 19:39; 1 Koningen 8:66.
Het geven van een geschenk ging eveneens van zegenwensen vergezeld (Gen. 33:11; Joz. 14:13; 15:18, 19). Het is begrijpelijk dat men mettertijd het geschenk zelf de zegen ging noemen, een „zegengeschenk”. Geschenken konden aangeboden worden als uitdrukking van goede wil jegens iemand die men liefhad, of in een poging om gunst te vinden, of als uiting van dankbaarheid. — 1 Sam. 25:27; 30:26.
Zegeningen kunnen in de vorm van complimenten worden gegeven. Boaz zegende Ruth wegens haar liefderijke goedheid (Ruth 3:10). Mannen die zich vrijwillig aanboden om een dienst ten behoeve van Jehovah’s aanbidding te verrichten, werden door de omstanders gezegend (Neh. 11:2). Ouders hebben er recht op door hun kinderen gezegend te worden. — Spr. 30:11.
Een zegen kan bestaan in welwillende of opbouwende woorden. Jezus spoorde zijn toehoorders aan te „zegenen die u vervloeken” (Luk. 6:28). „Blijft zegenen die u vervolgen; zegent en vervloekt niet” (Rom. 12:14). Dit betekent niet dat men tegenstanders moet prijzen, maar een goed gedrag jegens zulke personen, gepaard aan vriendelijke, voorkomende en oprechte woorden die heilzaam voor hen zouden zijn indien zij er acht op zouden slaan, kan ertoe leiden dat men hun welwillendheid wint (1 Kor. 4:12; 1 Petr. 3:9). Ook aan de manier waarop men een zegen uitspreekt, dient aandacht te worden geschonken (Spr. 27:14). Iemand van goddeloze daden afkeren, is werkelijk een zegen, want daarmee worden de beste belangen van die persoon gediend en het strekt Jehovah tot lof. — Hand. 3:26.
EEN ZEGEN VOOR ANDEREN ZIJN
Door een handelwijze van gehoorzaamheid aan God te volgen, kan iemand een zegen voor zijn naaste zijn. De omgang met zulke personen die door Jehovah gezegend worden, brengt zegeningen voor anderen mee. Laban werd gezegend doordat Jakob zijn kudden hoedde (Gen. 30:27, 30). Potifars huis en zijn veld genoten voorspoed doordat Jozef het beheer erover voerde (Gen. 39:5). De aanwezigheid van tien rechtvaardige burgers zou God ertoe hebben bewogen Sodom te sparen (Gen. 18:32). Dat iemand een opgedragen dienstknecht van God is, kan ertoe leiden dat God welwillend tegenover diens ongelovige partner en hun jonge kinderen staat (1 Kor. 7:14). Jezus zei met betrekking tot de grootste verdrukking die over de wereld zou komen: „Ter wille van de uitverkorenen zullen die dagen worden verkort”, anders „zou geen vlees worden gered” (Matth. 24:21, 22; vergelijk Jesaja 65:8). Het voorbeeld van door God gezegenden navolgen, brengt nog grotere zegeningen mee (Gal. 3:9; Hebr. 13:7; 1 Kor. 11:1; 2 Thess. 3:7). De „schapen” worden gezegend omdat zij de broeders van Christus, Gods „uitverkorenen”, goeddoen; bovendien worden zij met eeuwig leven beloond. — Matth. 25:34, 40, 46.