VERJAARDAG.
De dag waarop men zijn geboorte herdenkt. Zoals uit de genealogische en chronologische gegevens van de bijbel blijkt, hielden de Hebreeën een verslag van geboortedatums bij (Num. 1:2, 3; Joz. 14:10; 2 Kron. 31:16, 17). Met betrekking tot de leeftijd van levieten, priesters en koningen was men niet op gissingen aangewezen (Num. 4:3; 8:23-25; 2 Kon. 11:21; 15:2; 18:2). Hetzelfde gold ook in het geval van Jezus (Luk. 2:21, 22, 42; 3:23). Volgens de Schrift was de dag waarop een kind werd geboren, voor de ouders gewoonlijk een dag van vreugde en dankzegging, en dat met recht, want „zonen zijn een erfdeel van Jehovah; de vrucht van de buik is een beloning” (Ps. 127:3; Jer. 20:15; Luk. 1:57, 58). Nergens in de Schrift vinden wij echter enige aanwijzing dat getrouwe aanbidders van Jehovah ooit het heidense gebruik van een jaarlijkse viering van de geboortedag hebben overgenomen. Josephus schreef dat Herodes Agrippa I zijn verjaardag vierde, evenals diens oom Antipas, maar deze zogenaamde joodse proselieten stonden er algemeen om bekend dat zij heidense gebruiken navolgden in plaats van zich naar de Hebreeuwse Geschriften te richten. — De joodse geschiedenis, XIX, vii, 1.
De enige twee verjaarsfeesten die uitdrukkelijk in de bijbel worden vermeld, zijn die van Farao van Egypte (18de eeuw v.G.T.) en van Herodes Antipas (1ste eeuw G.T.). Deze beide verslagen komen daarin met elkaar overeen dat beide gelegenheden werden gekenmerkt door grote festiviteiten en gunstbewijzen, maar ook door terechtstellingen; in het eerste geval werd Farao’s overste der bakkers opgehangen, in het tweede geval werd Johannes de Doper onthoofd. — Gen. 40:18-22; 41:13; Matth. 14:6-11; Mark. 6:21-28.
Wanneer er over Jobs zonen wordt gezegd dat zij „een feestmaal aan[rechtten] in het huis van een ieder van hen op zijn dag”, moet men daaruit niet afleiden dat zij hun verjaardag vierden (Job 1:4). Het woord „dag” in dit vers is een vertaling van het Hebreeuwse woord jōm, dat mogelijk is afgeleid van een grondwoord dat „heet zijn” betekent en daarom betrekking heeft op de tijd van zonsopgang tot zonsondergang. De Hebreeuwse uitdrukking voor „verjaardag” daarentegen is samengesteld uit de twee Hebreeuwse woorden jōm (dag) en hoel·leʹdheth (van ja·ladhʹ, een Hebreeuws grondwoord dat „[kinderen of jongen] voortbrengen” betekent) en heeft derhalve betrekking op de dag van de geboorte. Dit onderscheid tussen „dag” en „verjaardag” valt op te maken uit Genesis 40:20, waar beide uitdrukkingen voorkomen: „Nu bleek het op de derde dag [jōm] Farao’s verjaardag [letterlijk: „de dag (jōm) van Farao’s geboorte (hoel·leʹdheth)”] te zijn.” Job 1:4 heeft dus beslist geen betrekking op een verjaardag, zoals in Genesis 40:20 ongetwijfeld wel het geval is. Schijnbaar hielden Jobs zeven zonen een familiebijeenkomst (mogelijk een lente- of een oogstfeest) en in de loop van een week nodigde beurtelings ieder van de zonen „op zijn dag” de anderen voor een feestmaal in zijn huis uit.
Toen het christendom zijn intrede deed, veranderde de zienswijze ten aanzien van verjaarsfeesten niet. Jezus stelde een verplichte Gedachtenisviering in, doch niet om zijn geboorte maar om zijn dood te gedenken, toen hij zei: „Blijft dit tot een gedachtenis aan mij doen” (Luk. 22:19). Wanneer de vroege christenen niet eens de geboortedag van hun Redder vierden of herdachten, zouden zij nog minder hun eigen geboortedag of verjaardag vieren. De geschiedschrijver August Neander schreef: „Het begrip verjaarsfeest paste helemaal niet in de denkbeelden van de christenen uit die periode” (Allgemeine Geschichte der christlichen Religion und Kirche, 1842, Deel 1, blz. 518). „Origenes [een schrijver uit de 3de eeuw G.T.] . . . stelt nadrukkelijk dat het ’van niemand van de in de Schrift genoemde heilige mensen bekend is dat hij ter ere van zijn verjaardag een feest heeft georganiseerd of een feestmaal heeft gehouden. Alleen zondaars [zoals Farao en Herodes] verheugden zich zeer over de dag waarop zij in deze wereld hier beneden waren geboren’.” — The Catholic Encyclopedia, 1911, Deel X, blz. 709.
Het vieren van verjaardagen vindt zijn oorsprong dus noch in de Hebreeuwse noch in de Griekse Geschriften.