BILHA
(Bi̱lha) [misschien: eenvoudig, eenvoud].
Een van de dienstmaagden in Labans huis, die hij zijn dochter Rachel als dienstmaagd gaf toen zij met Jakob trouwde (Gen. 29:29). Dit geschiedde in het jaar 1774 v.G.T. te Paddan-Aram, dat in de noordelijke vlakte van Mesopotamië lag. Toen Rachel na verloop van tijd onvruchtbaar bleek te zijn, gaf zij Jakob haar dienstmaagd Bilha als bijvrouw, opdat zij door haar — evenals Sara eens door haar dienstmaagd — kinderen zou krijgen (Gen. 16:2). Jakob was toentertijd minstens 88 jaar oud. Op deze wijze kreeg Bilha het voorrecht de moeder te worden van twee zonen, Dan en Naftali, wier nakomelingen twee van de twaalf stammen van Israël vormden (Gen. 30:3-8; 35:25; 1 Kron. 7:13). Toen Jakob naar het land Kanaän terugkeerde, werden Bilha en haar kinderen persoonlijk aan Jakobs tweelingbroer Esau voorgesteld. Na Rachels dood pleegde Ruben, de oudste zoon van Jakob, hoererij met Bilha. — Gen. 35:22; 49:3, 4.