BETH-SEAN
(Beth-Se̱an), ook BETH-SAN [huis van zekerheid of plaats van rust].
Oorspronkelijk een belangrijke versterkte stad van de Kanaänieten, gelegen op een strategisch punt van waaruit men de toegang tot het dal van Jizreël vanuit het Jordaandal beheerste. De naam leeft nog voort in die van het huidige Beisan, terwijl de plaats waar de oude stad lag, de nabijgelegen puinheuvel Tell el-Husn is. Het land in de omgeving van Beth-Sean ligt ongeveer 120 m onder de zeespiegel en loopt naar het O. steil af totdat zo’n 5 km van de Jordaanoever vandaan een punt bereikt is dat ongeveer 240 m onder de zeespiegel ligt. Gebouwd op een grote heuvel aan de rand van dit aflopende landschap, bevond Beth-Sean zich militair gezien in een bijzonder gunstige positie. De uitgestrekte valleivlakte ten W. van Beth-Sean, waardoor de rivier de Dzjaloed stroomt, is goed bewaterd en vruchtbaar en loopt geleidelijk omhoog tot aan de stad Jizreël, die zo’n 18 km daarvandaan ligt.
Beth-Sean was ook een stad waar wegen samenkwamen. Het lag aan de veelgebruikte route die van de kust van de Middellandse Zee via het Jordaandal naar Damaskus en naar Arabië voerde.
Archeologische opgravingen in Beth-Sean hebben vele verschillende strata of cultuurlagen aan het licht gebracht, waarvan de oudste klaarblijkelijk uit de tijd vóór Abraham dateert. Rond het midden van het 2de millennium v.G.T. schijnt Beth-Sean als gevolg van de overwinning van Thoetmozes III bij Megiddo onder Egyptische overheersing gekomen te zijn. Zoals uit archeologische onderzoekingen blijkt, hadden de Egyptenaren tijdens de regering van verscheidene farao’s een voorpost in Beth-Sean gestationeerd, en men heeft daar drie stèles of gedenkstenen blootgelegd van respectievelijk Seti I en Ramses II, alsook een standbeeld van Ramses III. In laag 7, die aan de tijd van de regering van Amenhotep III wordt toegeschreven, stuitte men op de overblijfselen van een gebouw dat naar men aanneemt de woning van de commandant is geweest; het bleek een gebouw te zijn geweest met een toilet en een ruime keuken, en naast de keuken bevond zich een graansilo met een inhoud van zo’n 40.000 l.
Toen de Israëlieten Kanaän veroverden (1473–1467 v.G.T.), lag Beth-Sean binnen het gebied dat door het lot aan Issaschar werd toebedeeld, maar het werd later aan de stam Manasse als bezit toegewezen (Joz. 17:11; 1 Kron. 7:29). Het gelukte de mannen van Manasse niet, de Kanaänieten uit Beth-Sean en de andere plaatsen in de valleivlakte te verdrijven. Als reden hiervoor voerden zij aan dat de Kanaänieten, die over strijdwagens met ijzeren zeisen beschikten, hun in militair opzicht de baas waren, maar met deze verklaring was hun bevelhebber Jozua niet tevreden. Hoewel de Kanaänieten niet uit hun bezit werden verdreven, werden zij uiteindelijk toch zo ver onderworpen dat zij dwangarbeid moesten verrichten. — Joz. 17:12, 13, 16-18; Recht. 1:27, 28.
Tijdens de regering van koning Saul (1117–1077 v.G.T.) was Beth-Sean in het bezit van de Filistijnen. Na Sauls nederlaag bij de nabijgelegen berg Gilboa legden de Filistijnse overwinnaars Sauls wapenrusting in het „huis van de Astorethbeelden” neer, en zijn hoofd hechtten zij aan het huis van Dagon. De lijken van Saul en zijn zonen hingen zij aan de muur van Beth-San (Beth-Sean) op, klaarblijkelijk aan de binnenzijde tegenover het openbare plein van de stad. Moedige en vermetele Israëlieten uit Jabes-Gilead, dat ongeveer 16 km daarvandaan aan de andere zijde van de Jordaan lag, haalden de lijken terug, waarvoor zij misschien ’s nachts de stad zijn binnengedrongen. — 1 Sam. 31:8-13; 2 Sam. 21:12; 1 Kron. 10:8-12.
In overeenstemming met het bovenstaande verslag werden bij de opgravingen in Tell el-Husn de ruïnes van twee tempels blootgelegd, waarvan de ene naar men aanneemt de tempel van Astoreth is, terwijl de andere, verder naar het Z., volgens sommige opgravers de tempel van Dagon is. Men schat dat de tempel van Astoreth tot ongeveer de 10de eeuw v.G.T. in gebruik is gebleven. Naar alle waarschijnlijkheid heeft men vóór die tijd een Baälgod aanbeden, die op een stèle „Mekal, de heer [Baäl] van Beth-San” genoemd wordt.
Uiteindelijk werd de stad door de Israëlieten veroverd, ongetwijfeld tijdens de regering van David. Tijdens de regering van Salomo behoorde Beth-Sean tot een van de 12 districten die het koninklijke hof van voedsel moesten voorzien (1 Kon. 4:12). Na de verdeling van het koninkrijk viel farao Sisak (door de Egyptenaren Sjesjonk genoemd) in het 5de jaar van koning Rehabeam (993 v.G.T.) Palestina binnen (1 Kon. 14:25). Een reliëf op een tempelmuur in Karnak in Egypte toont Sisaks zegevierende veldtocht en de verovering van talrijke steden, waaronder Beth-Sean.
Tegen de tijd van de Makkabeeën was de naam van de stad Beth-Sean in Scythopolis veranderd, en de joodse geschiedschrijver Josephus noemt haar als een van de grootste steden van de Dekapolis. Ze lag als enige van deze tien steden ten W. van de Jordaan.