BETHSAÏDA
(Bethsa̱ïda) [vissershuis of vissersplaats].
De stad waaruit Filippus, Andreas en Petrus afkomstig waren (Joh. 1:44), alhoewel Simon Petrus en Andreas zich tegen de tijd van Jezus’ bediening waarschijnlijk in Kapernaüm hadden gevestigd (Matth. 8:5, 14; Mark. 1:21, 29). Bethsaïda lag „in Galilea” (Joh. 12:21). Na de dood van Johannes de Doper trok Jezus zich met zijn discipelen naar Bethsaïda terug. Op een met gras begroeide afgelegen plaats in de omgeving van de stad voedde hij door een wonder 5000 mannen — vrouwen en kinderen niet meegerekend — die bijeen waren gekomen om naar hem te luisteren (Luk. 9:10-17; vergelijk Mattheüs 14:13-21; Johannes 6:10). Buiten Bethsaïda genas Jezus later een blinde (Mark. 8:22). Aangezien deze krachtige werken in hun omgeving geschiedden, werden de mensen van Bethsaïda in het algemeen, alsook de inwoners van Chorazin, terecht berispt vanwege hun onberouwvolle houding. — Luk. 10:13.
De identificatie van het „dorp” (Mark. 8:22, 23) of de „stad” (Luk. 9:10) Bethsaïda is het onderwerp van menige discussie geweest. De schriftuurlijke verwijzingen duiden op een plaats aan de noordelijke oever van de Zee van Galilea. De naam wordt door Josephus in verband gebracht met een dichtbevolkt dorp even ten O. van de plaats waar de Jordaan in de Zee van Galilea uitmondt. Dit dorp werd tijdens de regering van de tetrarch (viervorst) Herodes Filippus tot stad verheven en kreeg ter ere van de dochter van Caesar Augustus de naam Julias (Josephus, De joodse geschiedenis, XVIII, ii, 1). De ruïnes van Julias zijn te vinden in et-Tell, ongeveer 3 km van de zee vandaan; er bevinden zich daarentegen overblijfselen van een kleinere vissersnederzetting in el-Aradsj, direct aan de oever. Tot voor kort gebruikten vissers hier een natuurlijke haven, zodat de plaats geografisch met de betekenis van de naam Bethsaïda overeenkomt.