BARABBAS
(Bara̱bbas) [zoon van de vader, meester of leraar].
Een misdadiger die wegens roof, oproer en moord gevangenzat en door Pilatus in de plaats van Jezus werd vrijgelaten. Pilatus deed dit omdat hij „de schare tevreden wenste te stellen”, die op aandrang van de overpriesters en de oudere mannen om zijn vrijlating schreeuwde. De naam Barabbas geeft te kennen dat hij mogelijk de zoon van een rabbi of joodse leider was. — Matth. 27:15-26; Mark. 15:6-15; Luk. 23:16-25; Joh. 18:39, 40; Hand. 3:14.
Men vindt in de Hebreeuwse Geschriften geen basis of precedent voor het ongewone gebruik om elk jaar op de avond van het Pascha een gevangene vrij te laten, en ook verschaffen de Romeinse of andere heidense gebruiken weinig of geen ondersteuning hiervoor. Uit rabbijnse geschriften blijkt evenwel dat dit gebruik wellicht van joodse oorsprong was en reeds bestond voordat de Romeinen Palestina bezetten. Dit verklaart waarom Pilatus tot de joden zei: „Bovendien bestaat er bij u een gebruik dat ik u op het Pascha iemand vrijlaat.” — Joh. 18:39.