AZAZEL
(A̱zazel) [misschien: sterk tegen God].
Het woord „Azazel” komt in de bijbel viermaal voor, en wel in verband met de voorschriften voor de Verzoendag. — Lev. 16:8, 10, 26.
De hogepriester nam voor de jaarlijkse Verzoendag twee geitebokjes van de vergadering van de zonen van Israël. Door het lot werd één bok „voor Jehovah”, de andere „voor Azazel” bestemd.
Beide bokken moesten vlekkeloos, gezond en zoveel mogelijk aan elkaar gelijk zijn. Voordat het lot over ze werd geworpen, had elk van de beide bokken de kans als de bok voor Jehovah uitgekozen te worden. In latere tijden trachtten joodse rabbijnen de bokken op dezelfde dag te kopen, indien mogelijk tweelingbokken. In de door Herodes herbouwde tempel wierp de hogepriester naar verluidt het lot over de bokken door uit een mand twee loten, gemaakt van buksboomhout of van goud, te trekken, met elke hand één. Deze legde hij dan op de kop van de bokken. Op het ene lot stond „voor Jehovah” en op het andere „voor Azazel”. Naar verluidt hebben de rabbijnen in de tijd dat Jezus Christus op aarde was, erop toegezien dat de bok voor Azazel stierf doordat zij hem naar een vooruitstekende rots aan de rand van de wildernis lieten voeren, waar hij dan overheen werd gegooid en te pletter viel.
Men is de opvatting toegedaan dat het woord „Azazel” volgens zijn oorspronkelijke afleiding hetzij „sterkte Gods” betekent (wanneer het op een goede engel wordt toegepast) of „sterk tegen God” (wanneer het op een gevallen geestelijk schepsel wordt toegepast). De zienswijze dat „Azazel” een bijnaam van Satan de Duivel is, werd door vele joden, door naamchristenen zoals Origenes en door geleerden uit recente tijd gehuldigd. Satan is Gods voornaamste tegenstander en is daarom „sterk tegen God”. Natuurlijk dient men te beseffen dat de in de wildernis gezonden bok niet als zoenoffer aan de Duivel werd gebracht. Beide bokken waren „een zondeoffer” voor God. — Lev. 16:5.
Er waren op de Verzoendag twee bokken nodig omdat het niet mogelijk was de bok voor Jehovah als zoenoffer te doden en toch nog in leven te houden opdat hij een ander doel kon dienen. Op de Verzoendag werd de levende bok de „bok voor Azazel”, d.w.z. voor degene die „sterk tegen God” is, Satan de Duivel, die volgens de voorzegging het Zaad van Gods „vrouw” in de hiel zou vermorzelen. — Gen. 3:15.