Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • ad blz. 112-113
  • Asa

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Asa
  • Hulp tot begrip van de bijbel
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • ASA’S IJVER VOOR DE ZUIVERE AANBIDDING
  • INTRIGES EN OORLOG TEGEN BAËSA
  • ZIEKTE EN DOOD
  • Asa
    Inzicht in de Schrift, Deel 1
  • „Er bestaat een beloning voor uw activiteit”
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2012
  • „Zo vader, zo zoon”
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1981
  • ‘Zijn hele leven was zijn hart onverdeeld met Jehovah’
    Wees moedig en vertrouw op Jehovah
Meer weergeven
Hulp tot begrip van de bijbel
ad blz. 112-113

ASA

(A̱sa) [misschien: arts; of verkorte vorm voor: Jehovah heeft gezond gemaakt].

De derde koning van Juda nadat de natie in twee koninkrijken verdeeld was. Asa was de zoon van Abiam en de kleinzoon van Rehabeam. Aangezien de driejarige regering van zijn vader in het 18de jaar (980 v.G.T.) van de regering van Jerobeam, de koning van Israël, begon en Asa in het 20ste jaar van Jerobeam begon te regeren, stierf Abiam klaarblijkelijk voordat zijn derde volle jaar ten einde was en voltooide Asa dat jaar als zijn troonsbestijgingsjaar, waarop zijn 41-jarige regering volgde (977–936 v.G.T.). — 1 Kon. 15:1, 2, 9, 10.

ASA’S IJVER VOOR DE ZUIVERE AANBIDDING

In de 20 jaar na de scheuring van het rijk waren Juda en Benjamin van Jehovah afgevallen. Asa legde een ijver voor de zuivere aanbidding aan de dag, „evenals zijn voorvader David”, en maakte er moedig een begin mee het land van de mannelijke tempelprostitués en de afgoden te reinigen. Hij verwijderde zijn grootmoeder Maächa, die een soort ’eerste Vrouwe’ van het land was, uit haar waardigheid omdat zij een „afschuwelijk afgodsbeeld” voor de heilige paal of de Asjera had gemaakt, en liet de religieuze afgod tot stof verpulveren. — 1 Kon. 15:11-13.

Volgens het verslag in 2 Kronieken 14:2-5 verwijderde Asa „de vreemde altaren en de hoge plaatsen en brak de heilige zuilen aan stukken en hakte de heilige palen om”. In 2 Kronieken 15:17 en 1 Koningen 15:14 staat echter dat ’hij de hoge plaatsen niet verwijderde’. De hoge plaatsen waarnaar in het vroegere verslag in Kronieken wordt verwezen, blijken derhalve betrekking te hebben op de hoge plaatsen waar de overgenomen heidense aanbidding waarmee Juda besmet was, werd beoefend, terwijl het verslag in Koningen verwijst naar de hoge plaatsen waar Jehovah werd aanbeden. Zelfs na de oprichting van de tabernakel en later van de tempel werden er nu en dan op de hoge plaatsen offers aan Jehovah gebracht, hetgeen hem onder speciale omstandigheden, zoals in het geval van Samuël, David en Elia, welgevallig was (1 Sam. 9:11-19; 1 Kron. 21:26-30; 1 Kon. 18:30-39). De normale goedgekeurde plaats voor het brengen van offers was echter de door Jehovah geautoriseerde plaats (Num. 33:52; Deut. 12:2-14; Joz. 22:29). Op de hoge plaatsen werden ook onjuiste vormen van aanbidding in Jehovah’s naam beoefend (vergelijk Exodus 32:5), en deze kunnen ondanks de verwijdering van de heidense hoge plaatsen voortgang hebben gevonden, misschien omdat de koning de verwijdering hiervan niet zo krachtig ter hand nam als de verwijdering van de heidense offerplaatsen. Het is ook mogelijk dat Asa inderdaad alle hoge plaatsen volledig verwijderde, maar dat ze na verloop van tijd weer verschenen en aan het einde van zijn regering nog niet verwijderd waren, zodat hun vernietiging aan zijn opvolger Josafat werd overgelaten.

Asa’s ijver voor de ware aanbidding werd in de eerste tien jaar van zijn regering door Jehovah met vrede gezegend (2 Kron. 14:1, 6). Later werd Juda door een krijgsmacht van één miljoen soldaten onder de Ethiopiër Zera aangevallen. Hoewel numeriek sterk in de minderheid, trok Asa uit om het binnenvallende leger bij Maresa, ten Z.W. van Jeruzalem in de laagvlakten van Judea, tegemoet te treden. In het vurige gebed dat hij vóór de strijd opzond, erkende hij Gods macht om te bevrijden en smeekte hij Jehovah om hulp, met de woorden: „Wij steunen werkelijk op u, en in uw naam zijn wij tegen deze menigte gekomen. O Jehovah, gij zijt onze God. Laat de sterfelijke mens geen kracht tegen u behouden.” Daarop behaalde hij een volledige overwinning. — 2 Kron. 14:8-15.

Daarna heeft hij een ontmoeting met de profeet Azarja, die hem vermaant: „Jehovah is met u zolang gij met hem bewijst te zijn; . . . maar indien gij hem verlaat, zal hij u verlaten.” Hij herinnert Asa aan de onderlinge moorddadige strijd die de natie meemaakte toen ze van Jehovah vervreemd was en spoort hem ertoe aan zijn werkzaamheid ten behoeve van de zuivere aanbidding moedig voort te zetten (2 Kron. 15:1-7). Asa reageert daar positief op en sterkt de natie in de ware aanbidding van Jehovah, hetgeen ertoe leidt dat een groot aantal personen uit het noordelijke koninkrijk overloopt en in het 15de regeringsjaar van Asa (963 v.G.T.) in Jeruzalem aan een grote plechtige vergadering deelneemt. Bij deze gelegenheid sluiten zij een verbond waarin zij verklaren vastbesloten te zijn Jehovah te zoeken en waarin wordt bepaald dat degenen die dit verbond niet houden, ter dood gebracht zullen worden. — 2 Kron. 15:8-15.

INTRIGES EN OORLOG TEGEN BAËSA

Om te verhinderen dat er nog meer personen naar Juda zouden terugkeren, versterkte koning Baësa van Israël de grensstad Rama, die aan de hoofdweg naar Jeruzalem, even ten N. van die stad, lag. Tengevolge van menselijke overleggingen of slechte raad bleef Asa nu in gebreke zich volledig op Jehovah te verlaten en nam hij zijn toevlucht tot diplomatie en een samenzwering om deze bedreiging af te wenden. Hij kocht de Syrische koning Ben-Hadad met goud en zilver uit de schatten van de tempel en het koningshuis om, teneinde hem ertoe te bewegen de aandacht van Baësa door een aanval op de noordgrens van Israël af te leiden. Ben-Hadad ging hierop in en viel Israëlitische steden in het N. aan. Daarop staakte Baësa zijn bouwwerkzaamheden en trok zijn troepen van Rama terug. Nu riep Asa alle beschikbare krachten uit het gehele koninkrijk Juda op, liet al het bouwmateriaal dat Baësa had achtergelaten, wegvoeren en bouwde daarmee de steden Geba en Mizpa. — 1 Kon. 15:16-22; 2 Kron. 16:1-6.

Om deze reden had er een ontmoeting plaats tussen Asa en de ziener Hanani, die hem op zijn inconsequente handelwijze wees en hem vroeg waarom hij niet steunde op de God die hem van de reusachtige krijgsmacht van Ethiopiërs had bevrijd. Hij hield Asa voor: „Wat Jehovah aangaat, zijn ogen gaan de gehele aarde rond om zijn sterkte te tonen ten behoeve van hen wier hart onverdeeld is jegens hem.” Wegens deze dwaasheid zou Asa nu voortdurend oorlog hebben. Asa aanvaardde de terechtwijzing niet, liet Hanani ten onrechte in de gevangenis werpen en onderdrukte ook anderen van het volk. — 2 Kron. 16:7-11.

De verklaring in 2 Kronieken 16:1 dat Baësa „in het zesendertigste jaar van de regering van Asa” tegen Juda optrok, heeft enkele vragen doen rijzen, aangezien Baësa’s heerschappij, die in het 3de regeringsjaar van Asa begon en slechts 24 jaar duurde, tien jaar vóór het 36ste jaar van Asa’s heerschappij geëindigd was (1 Kon. 15:33). Hoewel sommigen vermoeden dat het hier om een schrijffout gaat en geloven dat in werkelijkheid het 16de of 26ste jaar van Asa’s regering wordt bedoeld, hoeft men niet noodzakelijkerwijs van zulk een fout uit te gaan om de verslagen met elkaar in overeenstemming te brengen. Joodse commentators halen de Seder Olam aan, waarin wordt geopperd dat het 36ste jaar werd gerekend vanaf het bestaan van het gescheiden koninkrijk Juda (997 v.G.T.) en overeenkwam met het 16de jaar van Asa (Rehabeam regeerde 17 jaar, Abia 3 jaar en Asa bevond zich nu in zijn 16de regeringsjaar) (Soncino Books of the Bible, voetnoot bij 2 Kronieken 16:1). Deze mening werd eveneens door aartsbisschop Ussher gehuldigd. Zo kunnen ook de schijnbaar verschillende uitspraken in 2 Kronieken 15:19 („Wat oorlog betreft, die kwam niet voor tot het vijfendertigste [feitelijk vijftiende] jaar van Asa’s regering”) en 1 Koningen 15:16 („En er was voortdurend oorlog tussen Asa en Baësa, de koning van Israël, al hun dagen”) zo worden verklaard dat toen de conflicten tussen de beide koningen eenmaal begonnen waren, ze daarna voortduurden, zoals de profeet Hanani had voorzegd. — 2 Kron. 16:9.

ZIEKTE EN DOOD

De laatste drie jaar van zijn leven leed Asa aan een ziekte aan zijn voeten (misschien jicht), maar in plaats van op Jehovah’s hulp te wachten, zocht hij fysieke genezing. Na zijn dood kreeg hij een eervolle begrafenis en werd hij bijgezet in de grafstede die hij persoonlijk in de stad van David in gereedheid had gebracht. — 1 Kon. 15:23, 24; 2 Kron. 16:12-14.

Ofschoon Asa soms onverstandig handelde en blijk gaf van gebrek aan geestelijk inzicht, wogen zijn goede eigenschappen en het feit dat hij niet afvallig werd, blijkbaar ruimschoots tegen zijn fouten op en wordt hij tot de zes trouwe koningen van de lijn van Juda gerekend (2 Kron. 15:17). De 41-jarige regering van Asa viel gedeeltelijk samen met de regering van acht koningen van Israël: Jerobeam, Nadab, Baësa, Ela, Zimri, Omri, Tibni (die als tegenkoning van Omri over een deel van Israël regeerde) en Achab (1 Kon. 15:9, 25, 33; 16:8, 15, 16, 21, 23, 29). Na Asa’s dood werd zijn zoon Josafat koning. — 1 Kon. 15:24.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen