ARAMEES.
Een oude Semitische taal die nauw verwant is aan het Hebreeuws en oorspronkelijk door de Arameeërs werd gesproken. Na verloop van tijd omvatte het echter verscheidene dialecten (waarvan er enkele als een afzonderlijke taal golden) en werd vooral in Zuidwest-Azië veel gesproken. Aramees werd in het bijzonder van het 2de millennium v.G.T. tot omstreeks 500 G.T. gesproken. Het wordt in Ezra 4:7 en in Daniël 2:4 genoemd en is een van de drie talen waarin de bijbel oorspronkelijk werd geschreven.
Tot de Aramese gedeelten van de Schrift behoren Ezra 4:8–6:18 en 7:12-26, Jeremia 10:11 en Daniël 2:4b–7:28. Aramese woorden komen ook in Genesis, Esther, Job, bepaalde Psalmen, Het Hooglied, Jona en in de Hebreeuwse gedeelten van Daniël voor. Het Hebreeuwse boek Job is sterk Aramees gekleurd, en Ezechiël vertoont Aramese invloed. In de christelijke Griekse Geschriften treft men tal van Aramese eigennamen en soortnamen aan. Vooral in de Evangeliën van Markus en Mattheüs komen Aramese uitdrukkingen voor.
Dit alles is niet verwonderlijk, want de Hebreeën stonden in de loop van hun in de bijbel opgetekende geschiedenis steeds in nauw contact met de Arameeërs en waren goed vertrouwd met de Aramese taal. De stamvader van de natie Israël, Jakob (of Israël), werd zelfs als een „Syriër [of „Arameeër”] die op het punt stond om te komen” aangeduid (Deut. 26:5). Jakob had 20 jaar lang in Aram bij zijn Aramese schoonvader Laban gewoond en kon daarom een Syriër of Arameeër worden genoemd. Bovendien was zijn moeder een Aramese, die uit een Aramees district werd gehaald om met zijn vader Isaäk te trouwen (Gen. 24:1-4, 10). Tot de vroegste vertalingen van de Hebreeuwse Geschriften in andere talen behoorden de Aramese targoems, alhoewel deze pas verscheidene eeuwen nadat men omstreeks 280 v.G.T. met het werk aan de Griekse Septuaginta was begonnen, op schrift werden gesteld.
DE TAAL
Aramees, Hebreeuws en Fenicisch vormden de noordelijke tak van de Semitische taalfamilie. Ze schijnen in de oudheid de enige talen met een alfabetisch schrift te zijn geweest. Alhoewel het Aramees aanzienlijk van het Hebreeuws verschilt, is het een verwante taal met dezelfde letters in het alfabet, die ook precies zo heten als in het Hebreeuws. Net als het Hebreeuws wordt het van rechts naar links geschreven, en het Aramese schrift was oorspronkelijk een consonantenschrift. Het in de bijbel gebruikte Aramees werd echter later door de masoreten van vocaaltekens voorzien, zoals zij dit reeds met de Hebreeuwse tekst hadden gedaan. Heel wat Aramese woorden drongen in de Hebreeuwse taal binnen, en misschien is zelfs de moderne vorm van de Hebreeuwse letters, het zogenoemde „kwadraatschrift”, aan het Aramees ontleend. Daar staat tegenover dat ook het Aramees door het contact met andere talen beïnvloed is. In het bijbelse Aramees treft men niet alleen verscheidene Hebreeuwse, Akkadische en Perzische plaatsnamen en persoonsnamen aan, maar het vertoont ook Hebreeuwse invloed in religieuze uitdrukkingen, Akkadische invloed vooral in politieke en financiële uitdrukkingen, en Perzische invloed in uitdrukkingen die verband houden met politieke en wettelijke aangelegenheden.
Aramees heeft niet alleen hetzelfde schrift als het Hebreeuws, maar er bestaat ook een overeenkomst wat de vervoeging van de werkwoorden en de verbuiging van de zelfstandige naamwoorden (substantieven) en de voornaamwoorden betreft. Er zijn twee aspecten van het werkwoord: het imperfectum (ter aanduiding van een onvoltooide handeling) en het perfectum (ter uitdrukking van een voltooide handeling). In het Aramees onderscheidt men bij de substantieven singularis (enkelvoud), dualis (tweevoud) en pluralis (meervoud), alsook twee geslachten, masculinum (mannelijk) en femininum (vrouwelijk). Aramees onderscheidt zich van andere Semitische talen doordat er een voorkeur voor de vocaalklank a bestaat en ook aan bepaalde consonanten de voorkeur boven andere wordt gegeven, zoals bijvoorbeeld d in plaats van z en t in plaats van sj.
Hoofdgroeperingen
Aramees wordt in het algemeen in een westelijke en een oostelijke groep verdeeld. Historisch gezien kent men echter de volgende vier groepen: Oudaramees, Ambtelijk Aramees (Rijksaramees), Levantijns Aramees en Oostaramees. Men vermoedt dat er tijdens het 2de millennium v.G.T. in de Vruchtbare Halvemaan en in de aangrenzende gebieden verscheidene Aramese dialecten werden gesproken. In Genesis 31:47 kan men een verschil tussen vroege vormen van het Aramees en het Hebreeuws opmerken. Nadat Jakob en Laban zich met elkaar hadden verzoend, werd er een steenhoop als getuige tussen hen opgericht. Laban noemde deze steenhoop in het Aramees (Syrisch) Jegar-Sahadutha, terwijl Jakob hem in het Hebreeuws Gal-Ed noemde. Beide uitdrukkingen betekenen „getuigenishoop”.
De naam Oudaramees wordt van toepassing gebracht op bepaalde inscripties die in Noord-Syrië zijn ontdekt en die volgens zeggen uit de 10de tot de 8ste eeuw v.G.T. dateren. Langzamerhand werd echter een nieuw dialect van het Aramees de lingua franca of de taal van het internationale verkeer in het Assyrische Rijk. Ze verdrong het Akkadisch als de taal waarin de ambtelijke correspondentie van de heersers met de afgelegen gebieden van het rijk werd gevoerd. Wegens haar gebruik noemt men deze standaardvorm van het Aramees „Ambtelijk Aramees” („Rijksaramees”). Het bleef ook in de tijd dat Babylon de wereldmacht was (625–539 v.G.T.) en daarna, in de tijd van het Perzische Rijk (538–331 v.G.T.), in gebruik. Vooral in die tijd genoot het een wijde verbreiding als officiële regerings- en handelstaal, zoals uit archeologische vondsten blijkt. Het verschijnt namelijk op spijkerschriftdocumenten, ostraka (potscherven), papyri, zegels, munten, in steeninscripties, enz. Deze artefacten heeft men gevonden in landen zoals Mesopotamië, Perzië, Egypte, Anatolië en Noord-Arabië, alsook in gebieden ver in het N. zoals het Oeralgebergte en in ver in het O. liggende landen zoals Afghanistan en Koerdistan. Het Ambtelijke Aramees bleef tot in de hellenistische tijd (330–30 v.G.T.) in gebruik.
Schijnbaar wordt in de geschriften van Ezra, Jeremia en Daniël dit Ambtelijke Aramees aangetroffen. Ook in de Schrift wordt bevestigd dat Aramees destijds een lingua franca was. Zo deed in de 8ste eeuw v.G.T. een gevolmachtigde woordvoerder van koning Hizkia van Juda een beroep op Rabsake, de vertegenwoordiger van de Assyrische koning Sanherib, met de woorden: „Spreek alstublieft tot uw knechten in de Syrische [Aramese] taal, want wij luisteren; en spreek tot ons niet in de taal van de joden ten aanhoren van het volk dat op de muur is” (Jes. 36:11; 2 Kon. 18:26). De beambten van Juda verstonden Aramees of Syrisch, maar het gewone volk onder de destijds in Jeruzalem wonende Hebreeën klaarblijkelijk niet.
Jaren nadat de joden uit Babylonische ballingschap waren teruggekeerd, las de priester Ezra de in Jeruzalem bijeengekomen joden het boek van de wet voor, en verscheidene levieten verklaarden het aan het volk. In Nehemia 8:8 lezen wij: „Zij bleven voorlezen uit het boek, uit de wet van de ware God, het werd toegelicht en er werd betekenis in gelegd; en zij bleven het voorgelezene begrijpelijk maken.” Dit toelichten kan onder andere hebben ingehouden dat de Hebreeuwse tekst in het Aramees werd geparafraseerd, aangezien de Hebreeën zich in Babylon mogelijk het Aramees eigen hadden gemaakt. Het toelichten kon echter ook verklaringen hebben omvat, opdat de joden, zelfs wanneer zij Hebreeuws verstonden, de diepe betekenis van het voorgelezene konden begrijpen.