AKKAD
(A̱kkad) [vesting].
Een van de vier door Nimrod gestichte steden, die het „begin van zijn koninkrijk” vormden (Gen. 10:10). Akkad is geïdentificeerd met de oude stad Agade, die volgens het archeologische bewijsmateriaal gelegen heeft aan de rivier de Eufraat dicht bij Sippar, ongeveer 50 km van Babylon, in het gebied waar de Eufraat en de Tigris dicht bij elkaar komen. De precieze ligging is echter onzeker.
De naam Akkad wordt ook wel van toepassing gebracht op de hele noordelijke streek die later Babylonië werd genoemd. Akkad schijnt als hoofd- of koningsstad van dit gebied onder een koning genaamd Sargon (niet de Sargon uit Jesaja 20:1) grote bekendheid gekregen te hebben. Het zuidelijke gedeelte van Mesopotamië stond bekend als Soemerië. Uit deze twee gebieden ontstond Babylonië, en in Babylonische teksten werden de heersers van dit gebied tot aan de tijd van Babylons val in 539 v.G.T. nog steeds als „koning van Akkad” aangeduid. Op de Cyruscilinder noemt de veroveraar van Babylon zich „koning van Babylon, koning van Soemer en Akkad”.
De Akkadiërs schijnen in fijn beeldhouwwerk en zegelgraveerkunst de Soemeriërs te hebben overtroffen. Tegenwoordig wordt met de naam „Akkadisch” de oude Assyrische en Babylonische taal aangeduid.