ZANOAH
(Zano̱ah) [misschien van een grondwoord dat „stinken” betekent].
1. Een Judese stad in de Sjefela (Joz 15:20, 33, 34, 36). Ze behoorde tot de steden die na de Babylonische ballingschap opnieuw werden bewoond (Ne 11:25, 30). Het kan zijn dat de inwoners van dit Zanoah herstellingswerk aan de zuidelijke muur van Jeruzalem en zijn Dalpoort verrichtten (Ne 3:13). Zanoah wordt geïdentificeerd met het ongeveer 5 km ten ZO van Beth-Semes gelegen Khirbet Zanuʽ (Horvat Zanoah).
2. Een stad in het bergland van Juda (Joz 15:20, 48, 56, 57). Ze is blijkbaar het in 1 Kronieken 4:18 genoemde Zanoah, waarvan Jekuthiël de „vader” was. (Zie JEKUTHIËL.) Ze wordt voorlopig geïdentificeerd met Khirbet Beit Amra, ongeveer 10 km ten ZZW van Hebron.