UTHAI
(U̱thai).
1. Een man die na de ballingschap in Jeruzalem woonde; nakomeling van Juda via Perez. — 1Kr 9:3, 4.
2. Het hoofd van een vaderlijk huis van de zonen van Bigvai; hij kwam in 468 v.G.T. met Ezra naar Jeruzalem. — Ezr 8:1, 14.
Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.
Helaas was er een fout bij het laden van de video.
(U̱thai).
1. Een man die na de ballingschap in Jeruzalem woonde; nakomeling van Juda via Perez. — 1Kr 9:3, 4.
2. Het hoofd van een vaderlijk huis van de zonen van Bigvai; hij kwam in 468 v.G.T. met Ezra naar Jeruzalem. — Ezr 8:1, 14.