TEMAN
(Te̱man) [Rechterzijde; Zuiden].
1. Een nakomeling van Esau via zijn eerstgeborene Elifaz (Ge 36:10, 11; 1Kr 1:35, 36); een Edomitisch stamhoofd. — Ge 36:15, 16, 34, 42.
2. Een plaats die door sommige geleerden wordt geïdentificeerd met Tawilan, ongeveer 5 km ten O van Petra. Het was kennelijk een stad of een district in Edom (het land van de Temanieten), waar de nakomelingen van Teman woonden (Ge 36:34; Jer 49:7, 20; Ez 25:13; Am 1:11, 12; Ob 9). Teman werd beroemd als een centrum van wijsheid (Jer 49:7). In het boek Habakuk wordt over God gezegd dat hij van „Teman [kwam], ja, een Heilige van de berg Paran”. Dit kan betrekking hebben op de heerlijkheid die Jehovah uitstraalde, zijn pracht die door de bergen werd weerkaatst toen hij zijn pasgevormde natie om Edom heen naar het Beloofde Land voerde. — Hab 3:3, 4; vgl. De 33:2.