RAFIDIM
(Ra̱fidim) [van een grondwoord dat „uitspreiden”; of: „verkwikken” betekent].
Een van de plaatsen waar de Israëlieten zich legerden op hun tocht van de Rode Zee naar de berg Sinaï. Nadat zij de Wildernis van Sin hadden verlaten, legerden zij zich te Dofka, vervolgens te Alus en ten slotte te Rafidim (Ex 17:1; Nu 33:12-14). Toen er in Rafidim geen water bleek te zijn, klaagde het volk en maakte ruzie met Mozes. Op Gods aanwijzing nam Mozes enkele van de oudere mannen mee naar „de rots in Horeb” (klaarblijkelijk het bergland Horeb, niet de berg Horeb) en sloeg met zijn staf op een rots. Er stroomde water uit, dat kennelijk het in Rafidim gelegerde volk bereikte. — Ex 17:2-7.
De Amalekieten vielen de Israëlieten in Rafidim aan, maar onder aanvoering van Jozua versloeg Gods volk de aanvallers (Ex 17:8-16). Direct hierna verschijnt in de bijbel het verslag over Mozes’ schoonvader, die Zippora en haar twee zonen bij Mozes bracht en hem de suggestie deed oversten uit te kiezen die hem bij het rechtspreken over het volk zouden helpen, wat erop duidt dat dit zich voordeed toen de Israëlieten te Rafidim gelegerd waren. — Ex 18:1-27.
De precieze ligging van Rafidim is onzeker. De verschillende locaties die door geografen zijn geopperd, zijn vastgesteld op grond van de route die de Israëlieten naar hun mening hebben gevolgd toen zij van de Wildernis van Sin naar de berg Sinaï trokken. Veel hedendaagse geografen identificeren Rafidim met een plaats in de Wadi Refayied, niet ver ten NW van de plek waar volgens de traditionele opvatting de berg Sinaï ligt. Langs de wadi ligt een gelijknamige heuvel, en het kan zijn dat Mozes tijdens de strijd met de Amalekieten daar met opgeheven armen bovenop heeft gestaan.