RAFA
(Ra̱fa).
Twee namen waarvan de schrijfwijze in het Hebreeuws iets verschilt, maar die in het Nederlands hetzelfde worden geschreven.
1. [Hebr.: Ra·faʼʹ, van een grondwoord dat „genezen; gezond maken” betekent]. Een zoon van Benjamin, volgens 1 Kronieken 8:1, 2 zijn vijfde. Zijn naam ontbreekt in de lijst van degenen die naar Egypte trokken (Ge 46:21), alsook in de opsomming van families uit de stam Benjamin (Nu 26:38-40). Dit kan erop duiden dat Rafa, ongeacht waar hij geboren werd, vroeg is gestorven zonder nakomelingen na te laten of dat zijn nakomelingen in een andere familie zijn opgegaan.
2. [Hebr.: Ra·fahʹ, verkorte vorm van Refaja, wat „Jah heeft genezen” betekent]. Een nakomeling van Benjamin via Saul; ook Refaja genoemd. — 1Kr 8:33-37; 9:43.