REFAÏM, LAAGVLAKTE VAN
Een brede vlakte of vallei in de nabijheid van Jeruzalem. Ze dankt haar naam vermoedelijk aan de Refaïeten, de rijzige mensen die daar ooit moeten hebben gewoond. Ze wordt als grens tussen het gebied van Juda en het gebied van Benjamin genoemd (Joz 15:1, 8; 18:11, 16). Aan haar N-einde bevond zich een berg, of bergrug, die tegenover het Dal van Hinnom lag. Vanouds wordt de Laagvlakte van Refaïm met de Baqaʽ-vlakte ten ZW van de Tempelberg geïdentificeerd. Ze daalt over een afstand van ongeveer 1,5 km schuin af en vernauwt zich dan tot een smal dal, de Wadi el Werd (Nahal Refaʼim).
Zowel de vruchtbaarheid van de vlakte (Jes 17:5) als haar ligging in de nabijheid van Jeruzalem en Bethlehem moet haar tot iets zeer begerenswaardigs hebben gemaakt voor de Filistijnen (2Sa 23:13, 14; 1Kr 11:15-19). Nadat David tot koning over Israël was gezalfd, deden de Filistijnen invallen in de Laagvlakte van Refaïm. David volgde echter Gods aanwijzingen op en versloeg hen. — 2Sa 5:17-25; 1Kr 14:8-17; zie BAÄL-PERAZIM.